Wat ik niet zeg

Buiten schemert het, binnen ook. Ik knip de lichten aan, ruim het aanrecht af en twijfel of ik het stuk kaas dat er ligt opeet. Ik spoel de koffievlekken van een kopje en veeg de gootsteen weer droog. Moeder is thuis. Ze ligt op de bank. Wat zijn de dagen lang, er komt geen einde aan, zucht ze. Ik kijk op de kalender, vanavond heeft ze er nog een shift op staan. Ik leg een proper uniform voor haar klaar, strijk met een snelle beweging de plooien glad. Ze wil vragen hoe mijn dag was maar vindt de woorden niet. Ik knik, meer valt er niet te zeggen.

*

De benevelde spiegel verbergt mijn lijf. Stoom dwarrelt door de kleine badkamer en maakt het onmogelijk om snel droog te zijn. Het hete water van de douche schroeide mijn lijf rood. Ik druk mijn vingers in het rozige vel van mijn buik en ik kijk hoe de witte vlekken verdwijnen wanneer ik mijn handen wegneem.

Ik strek mijn arm. De top van mijn wijsvinger raakt het glas van de spiegel en ik teken twee ogen, een mond. De ogen tonen mijn ogen en kijken min of meer blauw terug. De mond is niet meer dan een horizontale streep en ik probeer erdoor te lachen maar de streep laat geen ruimte voor meer. Een druppel loopt vanuit één van de mondhoeken naar beneden en trekt een spoor door de nevel heen. Ik kruis mijn armen voor de borst.

Toen de vlakke tepels veranderden in roze uitstulpingen, in een ander soort huid zo teer en fragiel en gevoelig, stond ik iedere dag voor de spiegel. Wanneer ik lang genoeg naar mijn reflectie keek, zag ik hoe mijn borst eruit zag zonder die zwelling, glad en gaaf en plat. Ook toen stond ik op armlengte. Op een dag zag moeder mij zo voor de spiegel staan. Ze staarde naar mijn evenbeeld en zei ze: Schaam jij je niet?

Ik wrijf met mijn vlakke hand de damp van de spiegel en leg op iedere borst een hand. Langzaam laat ik mijn handen zakken. In het met water gemarmerde oppervlak van de spiegel kan ik naar mijn borsten kijken als ware het de borsten van een ander. Die van Saar. Maar dan anders. Voller. Roziger. Groter. Veel groter. Een blauwe ader loopt onder de huid die ook daar rood aangeslagen is.

*

Ik kies een losse jeans uit, een los shirt, een los hemd. Ik neem vaders aftershave en doe wat op. Ik zoek mijn walkman, wissel de cassette van kant en laat de muziek door de oortjes knallen. Vorige zomer zagen Saar en ik op een festival de leadzangeres van een band van het podium springen en een meisje uit het publiek zoenen. Op het grote scherm drong een roze tong de mond van een blonde meisje binnen. De schok die bij het zien van die beelden door mijn lijf schoot, voelde ik voor het eerst. Het geluid van een basgitaar gierde over de wei en sneed door mijn lenden. Dat wil ik ook, schreeuwde Saar in mijn oor en ze duwde mij door de mensenmassa naar voren.

Nu hoef ik alleen mijn ogen te sluiten om de tong van Saar over mijn tong te voelen glijden, haar hand op mijn borst, mijn lange vingers op haar kleine zonnebankbruine borsten. Zo lig ik onbeweeglijk op bed en wacht ik tot het buiten donker wordt.

Ik wek moeder, zeg dat ze zich moet klaarmaken. Ik smeer wat boter op brood, wikkel het in zilverpapier en leg het in haar handtas. Voor ik de deur achter mij toetrek, check ik of ze wakker is, of ze klaarstaat. Ik spring op mijn fiets, kijk achterom en zie haar door het uitgelichte vensterraam voor zich uit staren, ze zit alweer in de zetel.

*

Moeder ligt over haar bord heen. Haar rechterarm geklemd onder haar voorhoofd, de andere arm lang uitgestrekt over de mahonie tafel. Haar hand ligt in een broodmandje, de toppen van haar vingers raken de korst van een koffiekoek. Alsof haar lichaam het begaf net wanneer ze een stuk wou nemen.

Het is na tweeën – hoe lang ligt ze hier al? Haar nachtshift zat er acht uur geleden al op. Misschien is ze dood, denk ik. Maar dat is onzin. Zelfs mijn fantasie speelt het spel niet mee, ze is niet dood. Kijk maar: ze ademt. Haar rug gaat op en neer, rustig, gecontroleerd. Ze slaapt en haar ademhaling ronkt zachtjes – heel diep in, heel diep uit.

De tafel is voor twee gedekt.

Voor ieder een bord, een mes, een glas, een kopje en een papieren servet.

Vaders stoel staat er verloren bij. Op andere dagen staat die stoel precies op dezelfde plaats, op dezelfde manier: poten onder tafel, rugleuning exact op 3 cm van het tafelblad. Nu heeft moeder hem opzij gestampt – per ongeluk – haar been schoot misschien spastisch uit – per ongeluk – toen ze zichzelf met een schok schrap zette om te voorkomen dat ze viel en viel en verder wegviel in een droom die net begon.

Ze ziet er klein uit.

Zoals ze daar ligt.

Kleiner dan anders.

Ik duw vaders stoel weer op zijn plaats. Met mijn voet schuif ik moeders voet aan de kant en maak ik plaats voor de poten van de stoel. Sloom ontwaakt moeder uit haar slaap, hoofd eerst, dan pas volgen de armen.

Haar ogen staan dik. Slaapdronken staart ze mij aan. Ze wrijft met de rug van haar hand over haar mond en ondersteunt daarna haar voorhoofd met haar handen.

Ik moet in slaap gevallen zijn, zegt ze.

Ik knik.

Ze zegt niet: Ik heb op je gewacht.

Ze vraagt niet: Waar zat je al die tijd?

Ze kijkt voor zich uit en ziet nu vast wat ik zie: de zure melk, de bezwete kaas, de gesmolten boter.

*

Voor moeder op bed neerzakt, verstevigt ze haar grip op mij. Haar nagels snijden in mijn vel en voor het eerst in lange tijd weet ik dat ze mij ziet. Ik knijp terug, maar niet hard. Ze ziet er zo frêle uit.

We staan in de kale kamer en kijken naar elkaar. Wanneer werd ik groter dan zij? Ze kijkt op naar mij. Haar onderlip trilt, zweeft als een luchtspiegeling in haar gezicht.

Vannacht, zegt ze. Ze twijfelt en bijt op haar onderlip, als een kind.

Ik had vannacht een gesprek, zegt ze.

Een gesprek?

Een gesprek.

Ze bevestigt het, ik hoor het goed. Een sluimerende jaloezie verrast mij en verkrampt mijn lijf. Een gesprek. Met wie? Met zichzelf. Neen. Met een mens. Een ander mens dan ik. Nog voor ze zegt met wie ze sprak, stokt het eerste gesprek dat wij sinds lange tijd voeren. Ze bijt op haar lip tot het droge vel barst en snoert zichzelf de mond.

Wat voor een gesprek, moeder? vraag ik. Mijn stem trilt.

Ze laat mij los en mijn huid brandt na.

Ik zal beter – het moet anders, stamelt ze.

Alles moet anders? herhaal ik.

Ze recht haar rug en kijkt mij aan. Haar welwillendheid om weer deel te nemen aan het leven waarin we vastzitten, verrast mij. Ik neem de tijd om haar blik met de mijne te beantwoorden. Ze draait zich van mij weg en kijkt door het raam. Even deinst haar hoofd terug, alsof het zonlicht haar desoriënteert. Ze wil wat zeggen, maar ik besluit het haar niet gemakkelijker dan nodig te maken en loop de kamer uit.

*

Er wordt zacht geklopt op de badkamerdeur.

Ik heb wat te eten gemaakt, zegt moeder. Wat denk je? Wij, twee? Een late lunch.

De afgebakken geur van industriële lasagne vermengt zich met die van vaders cologne. Ik antwoord niet en steun met mijn rug tegen de koude tegels, oudroze badkamertegeltjes, lelijk als de pest. De spiegel dekte ik met een handdoek af, hier sta ik dan – met ontbloot bovenlijf en nog zie ik alleen wat ik niet wil. Mijn hart bonst in mijn keel, precies daar waar schaamte mijn strot toeknijpt.

Ik schraap mijn keel en zeg: Ik kom.

Ik wacht totdat ze weg is, totdat ik de deur van de hal hoor toevallen, neem de rol huidskleurige schilderstape die in de waskbak klaarligt en kleef hem over mijn tepel. Strook voor strook wikkel ik mijzelf in tape totdat mijn borsten verdwenen zijn en alleen een reliëf van laagjes overblijft. Zachtjes, teder raak ik mijzelf aan – hoe hard het voelt, hoe glad het voelt.

Ik trek vaders hemd aan en geruisloos duw ik de badkamerdeur open. Ik wacht, wacht en luister tot ik zeker ben dat moeder niet in de buurt is en loop dan zonder aarzelen naar de voordeur. De lasagne staat al op tafel, op rieten pannenlappen netjes tussen twee borden gepositioneerd. Wanneer ik wegfiets, hoef ik niet achterom te kijken om moeder achter het raam te zien staan, armen en ovenwanten slapjes langs haar zij.