Over Lucebert XIII

Yael van der Wouden reageert op Andrew Ricca, Tommy van Avermaete, Jessie de Geus, Tessa de Zeeuw, Frans-Willem Korsten, Esther Edelmann, Marijke Gravemaker, Nike van Helden, Hubertus Mayr, Lieke Smits, Bram Ieven, en Thalia Ostendorf, die haar voorgingen in deze kettingbrief over Lucebert.

 

Beste Andrew, Tommy, Jessie, Tessa, Frans-Willem, Esther, Marijke, Nike, Hubertus, Lieke, Bram en Thalia,

Van de zomer heb ik een maand op een Jiddische taalschool in Vilnius gezeten. ‘Vilna’, werd de stad tijdens colleges genoemd, het voormalige ‘Jeruzalem van Litouwen’. Voor de oorlog besloeg de Joodse gemeenschap rond de 45% van de stadsbevolking. Op het moment is dit een getal met decimalen— 0.04%.

Ik probeerde dezelfde berekening te maken voor mijn eigen stad, Utrecht. Ik kwam niet heel ver. Het zoeken naar getallen was een bizarre oefening in semantische ontwijking tussen Google en mij. Ik wou de woorden “hoeveel Joden Utrecht” niet typen, denkend: ik vertrouw de mensen die dit willen weten niet, ik wil niet bij hen horen. Google suggereerde telkens zachtjes dat ik het toch moest doen. “Grootte Joodse gemeenschap Utrecht”, zei ik. “Aantal Joden Utrecht?” vroeg Google in het klein. “Nee,” zei ik, “Joodse burgers Utrecht.” Google kwam toen terug met, “Hoeveel Joodse burgers Utrecht?”

Een vriendin van mij heeft een keer verteld dat er 40 Joodse mensen in Utrecht geregistreerd staan. Ik pikte dat nummer op en gaf het weer door op een feestje, waar mijn gesprekspartner het beoogde shockeffect ondermijnde met: “Hoe bedoel je, geregistreerd? Waar? Bij wie? En 40, kan niet kloppen— tellen ze expats mee? Joods-cultureel? Mensen die niet worden herkend volgens de Hakalah?”

Ik zei drie keer op een rij “ik weet het niet”. Ik zei: “Een vriendin heeft het gezegd. Ik ken de details niet.”

“Sta jij geregistreerd?” werd mij toen gevraagd. Ik zei iets te snel: “Nee, ik hoop het niet.” Het was een soort van grapje, een grapje dat alleen ik mocht maken en waar niemand anders om mocht lachen. Maar het was ook een moment van realisatie: ik maak mezelf onzichtbaar en het werkt. Ik probeerde dit punt gisteravond in een dronken gezelschap te maken, met twee vriendinnen – zussen – wiens Joodse grootvader zich na de oorlog had bekeerd. Hij was boos op zijn Joods-zijn, hij wou ervan af. Hij kwam er ook van af: het Jodendom was slechts een vaag verhaal in zijn familie, en de twee zussen hadden er tot later in hun leven geen weet van. Ze stellen nu voorzichtig vragen, willen het onderwerp zich niet toe-eigenen. De partner van een van de zussen zat ook aan tafel. Hij vertelde dat zijn opa tijdens de oorlog bij de politie had gezeten en mensen op treinen had gezet. Daar zaten we dan met z’n vieren. Beschonken lieten we de geschiedenis tussen ons in klotsen. Iemand zei dat iets “tof” was, en ik zei dat dat een Jiddisch woord is. De mensen zijn weg, maar de taal is wel mooi behouden. Tof, mazzel, lef hebben. Dat is toch geen ponem. Blijf er met je jatten van af. Zo praten we allemaal.

Tien jaar geleden was er een campagne rond 4 en 5 mei die beoogde mensen na te laten denken over de keuzes die iedere Nederlander tijdens de oorlog heeft gemaakt. Een deel van die campagne kwam tot leven in de vorm van een Boemerangkaart – zo’n gratis ansichtkaart die je mag meenemen als je in een café naar de wc gaat. Op de kaart stond: “Tijdens de oorlog, zou ik . . .” en dan drie opties:

1. In het verzet gaan,

2. Iemand laten onderduiken en

3. Niets doen.

Als wij het hebben over de Nederlandse relatie tot de oorlog, over hoe wij herdenken, hoe wij boete doen, hoe wij omgaan met literaire helden en hun jeugdzondes – dan is dat een ‘wij’ dat nog steeds afgebakend is volgens de grenzen van 1940-1945. Optie nummer vier:

4. Worden meegenomen,

staat niet op de kaart, want zij die daaronder vallen zijn nog steeds geen onderdeel van wie we met ‘wij’ bedoelen.

In deze afsluitende brief wil ik het hebben over die ‘wij’: wij allen die deze brieven hebben geschreven, wij allen die ons verhouden tot de geschiedenis, en daar ook een deel van uitmaken. Wij allen die verhalen lezen en ons afvragen wat ze over ons zeggen, ons afvragen of de vertellers ervan – net een horoscoop van twee zinnen achter in de krant – op een mysterieuze wijze onze eigen ware aard uitspellen.

Deze wij-vraag voelt juist voor een laatste woord: we begonnen met Lucebert zelf, hadden het over diens goed-zijn of kwaad-zijn, zijn menselijkheid (Andrew; Tommy). We hadden het over de mythevorming, gecreëerd door Lucebert zelf, zijn lezers, en allen die hem op een voetstuk hebben geplaatst (Jessie). We hadden het over de lezers, de lezers ván de lezers, de media en de tekstuele cyclus die volgde (Tessa). We hadden het over de afrekencultuur die onze lezing van Luceberts brieven kleurt, de angst die daar omheen ontstaat (Frans-Willem). We hadden het over de semantiek van de hele discussie en wat die semantiek zegt over de discussie, over onze relatie tot ons nationaalsocialistische verleden (Hubertus). We hadden het over ons zelfbeeld in relatie tot onze helden, over hoe we de levens van die helden vormgeven op de manier waarop we het liefst onszelf zien (Esther). We hadden het over het metaconcept van helden, van idolen, en over wat het betekent dat we altijd een kant-en-klaar antwoord willen (Marijke), over de waarde van het ongemakkelijke gesprek – over angst niet weg toeteren, maar juist erkennen (Nike). We hadden het over daders en slachtoffers, monsters en mensen, en over in wie wij onszelf het liefst herkennen (Lieke; Bram). We hadden het over hoe afstand abstractie toelaat, en hoe de geschiedenis niet voor iedere lezer even ver voelt (Thalia).

En nu dat allemaal gezegd is, gaan we het over ons hebben.

We hebben het vaak over de oorlog als een heuristisch keerpunt. Het klinkt plat, maar het is niet anders: mensen maakten keuzes, mensen kwamen erachter wat die keuzes inhielden, mensen hadden spijt. Een leermoment. Het heuristische narratief van de oorlog is op zijn zwaarst als we het hebben over individuen die, zoals Marijke aangaf, publiek eigendom zijn. Lucebert is daar nu een voorbeeld van: hij was jong en maakte een vergissing, maar de oorlog heeft hem laten bezinnen. De politiek geëngageerde gedichten die hij schreef in de nasleep ervan, zoals aangegeven in de voorgaande brieven, bewijzen het. Lucebert, lijkt het, heeft iets geleerd. Wat het precies is weten we niet. Zoals Esther eloquent heeft aangegeven, had “zowel de kritische democraat Lucebert alsook de jonge fascist Swaanswijk een uitgesproken ethisch bewustzijn van goed en kwaad.” Was de les van de oorlog dat het gevaar niet alleen ligt in het hebben van de verkeerde ethische overtuiging, maar ook in blind zijn voor wie die overtuigingen kwaad doen, wat ze onvermijdelijk doen? Kwam Lucebert uit de jaren ‘40 met een dieper begrip van vooroordelen, hoe ze werken? Van machtsstructuren, van hoe zijn positie in de wereld en de vrijheid die hij ervaarde in het mogen kiezen van een ‘kant’ in direct verband stond met de mensen zónder die vrijheid, diegenen die hebben geleden? Wanneer realiseerde hij zich wat zijn eigen antisemitisme inhield, en wat deed hem dat inzien? Was het een langzame realisatie, een opstapeling van nieuws en reportages die via de radio de woonkamer in sijpelden? Of was het één moment, één gesprek, het zien van – wat, precies? Dood? Honger? Marteling?

Het probleem is niet dat de oorlog voor Lucebert een heuristisch proces was, maar dat het traceren van zijn ‘ommekeer’ ons niets bijbrengt, ons niet wijzer maakt over hoe je leert van je fouten. Luceberts antisemitisme verschijnt uit het niets en verdwijnt in zijn latere jaren dan ook zonder verdere uitleg. In haar brief heeft Marijke de connectie tussen nationale identiteit en de literaire held geanalyseerd: “[i]n een idool of voorbeeld menen we altijd een stukje van ons zelf te vinden”, schrijft zij, en “aangezien ‘wij’ niet fout kunnen zijn, moeten we ons onmiddellijk van onze held distantiëren, of de dissonantie herstellen door de vermeende ontsporing als een romantische jeugdzonde af te doen: ‘Ze wisten niet wat ze deden’.” Ik zou nog een stapje verder willen gaan en zeggen dat Luceberts jeugdige brush met antisemitisme ons nationaal narratief een bepaald soort validatie geeft, want kijk: hij dacht het ook in zijn vroege jaren, en zie hoe hij later is veranderd! Swaanswijk is Lucebert niet, en het Nederland van voor en in de oorlog is niet hetzelfde Nederland als na de oorlog.

Hoe en waar die verandering heeft plaatsgevonden is een vervaagd narratief, een stille zwart-wit montage van politici en rechtszaken gevolgd door een Spielberg-film. Ik weet niet wanneer de omslag kwam en Nederland het er collectief over eens was dat antisemitisme toch een ‘vergissing’ was. Hoe bekeer je een land, een individu? Het proces van het ontleren van vooroordelen, van het toegeven dat je discrimineert en er van af wilt, is zelden publiekelijk. Wat wel publiekelijk is, is wat er voor en na komt: het onttronen van de slechten en het omarmen van de goeden. Het resultaat is een samenleving die alleen goed en kwaad kent als statische identiteiten en zichzelf enkel langs die lijnen kan plaatsen.

In gesprekken waarin ik een punt probeer te maken over mijn frustratie hierdoor – met het Nederlandse narratief van een oorlog waar goede mensen tegenover kwade mensen stonden – kom ik vaak uit bij het toneelstuk van Leon de Winter en Jessica Durlacher uit 2014, Anne. Het stuk zoomde in op Anne Frank als schrijver – nadruk op schrijver – voor en tijdens de oorlog. Het was een kijk op Annes leven die beslist positiever was dan de voorgaande adaptaties: het maakte haar vrolijker, voller, een puber. Het stuk begon en eindigde met Anne levend, Anne in Parijs, die met een uitgever afspreekt om het over haar dagboek te hebben. Deze versie van Annes verhaal geeft haar publiek twee dingen: angst en hoop. Het zegt: wij zijn allen Anne, wij hebben allen wensen en dromen, die ons allen ontnomen kunnen worden. Het geeft de kijker de kans om de oorlog vanuit een veilige afstand mee te maken, om mee te voelen met de angst en zich gerechtvaardigd te voelen in het opkomen voor wat juist is. Het zegt: er is goed en er is kwaad, en vanavond gaan wij kiezen wat wij zijn. Driemaal raden waar de meesten voor gaan.

300.000 mensen hebben het stuk in het eerste jaar bezocht. Zelfs als de hele Joods-Nederlandse gemeenschap er massaal naartoe is gegaan, zou dit nog steeds 270.000 goyim in de zaal betekenen. En nu komt het, het lelijke, dat giftige stukje van mijn hart dat zegt: ik wil niet dat mensen weglopen met hoop, met empathie voor de wereld, met angst voor wat ieder had kunnen overkomen als we allen Anne waren. Ik wil dat mensen weglopen en denken: ik had die klop op de deur kunnen zijn. Ik had de politieagent kunnen zijn, de buurvrouw die haar gordijnen dichtdeed. Ik had Rolf Grubers telegram kunnen zijn. Ik had Bertus Swaanswijk en zijn brieven en zijn bommen kunnen zijn. Het verhaal van ons allen als de mogelijke slachtoffers van morgen leert ons niets bij over het verleden en zet ons niet aan tot het veranderen van het heden. De sympathie die je daaruit put heeft weinig met machtsstructuren te maken maar vooral met jezelf, met je eigen angsten. Het heuristische zit hem juist in het tegenovergestelde, in het leren dat wij de daders kunnen zijn en hoe makkelijk het is om onszelf wijs te maken dat wij dat niet zijn.

Enkele brieven terug heeft Frans-Willem het gehad over de complexiteit en tegenstrijdigheid van een mensenleven, over hoe veranderlijk we zijn. “Ik neem niet aan”, schrijft hij, “dat ieder van ons nog eens geconfronteerd wil worden met wat die beweerde op 16-, 17-, 18-jarige leeftijd.” Hierin probeert hij het punt te maken dat wij een neiging hebben om terug in de tijd te kijken met het voordeel van afstand, met een kant-en-klaar oordeel. Het is een goed punt, een belangrijk punt, maar ook een punt dat heel helder weergeeft over wie we het hebben wanneer we het hebben over ‘wij’, over wie er kan en mag terugkijken. Het probleem is dat niet ieders 16e, 17e of 18e jaar uit hetzelfde hout gesneden is. Er ligt een bepaalde vrijheid in het mogen koesteren van ideeën, ze voor de spiegel aanpassen en ze op een latere leeftijd weer opbergen. Het is een vrijheid die zegt: mijn leven hangt hier niet van af. Het is de distantie waar Thalia het over heeft, een distantie die niet iedereen gegund is. Het proces dat vele liefhebbers van Lucebert in het laatste jaar hebben meegemaakt – van frustratie, bedrog, pijn – is een proces dat voor vele lezers niet alleen bekend is, maar ook een deel uitmaakt van ons literair onderwijs. Een bepaalde waarheid, een waarheid over onszelf, komt ineens pijnlijk dichterbij, en ontneemt ons vervolgens een deel van onze keuzevrijheid en naïviteit. Het is een ritueel dat elke vrouw, elk persoon van kleur, iedereen die vanuit de marges verhalen tot zich neemt, op een gegeven moment meemaakt: de verteller van dit verhaal ziet mij niet als mens. Vaak gebeurt dat niet publiekelijk, niet in de kranten of op tv, maar tussen de regels door. Het gebeurt stilletjes een keer op een donderdag, terwijl je in de trein leest, in de bieb, in je bed.

Vanuit mijn Joods-zijn was George Bernard Shaw mijn eerste. Ik was 16 en begon net de wereld van het geschreven woord buiten de roman om te ontdekken. Ik hield van zijn toneelstukken, zijn filosofische contextualisering, maar wist verder niets van de man zelf. Toen stuitte ik op The Millionairess: “No doubt Jews are obnoxious creatures”, schrijft Shaw in het voorwoord. “Any competent historian or psychoanalyst can bring a mass of incontrovertible evidence to prove that it would have been better for the world if the Jews had never existed.”

Tja, daar zit je dan. Zestien op een HAVO in Zwolle, aan een schooltafel waar iemand met een marker “white power” op heeft geschreven en George Bernard Shaw – die je aan het lachen maakte, je aan het denken zette – kijkt je ineens recht in de ogen en zegt: ach meisje toch, dacht je dat je hier veilig was? Zoals Thalia schreef, is het feit dat we nu wel weten dat mensen in het verleden antisemitisch waren – of racistisch en seksistisch – niet iets wat alleen in het verleden leeft: “Voor bepaalde groepen mensen is oud nieuws eigenlijk gewoon actueel nieuws, en soms ook een voorbode of bevestiging van de toekomst.”

Als, zoals Lieke aangeeft, antisemitisme geen importproduct is maar zo lokaal als het kan, zou ik willen zeggen: ook het Joods-zijn zelf is verweven met waar we het over hebben als we het hebben over het Nederlands-zijn. Ik opende deze brief door te praten over de onzichtbaarheid van de Joods-Nederlandse cultuur anno 2018. Over hoe het af en toe boven water komt drijven als verwarring: een oma wiens meisjesnaam Cohen blijkt te zijn, een kerk waar vroeger een synagoge was, een jodenstraatje, het woord lef – wat ‘hart’ betekent – met willekeur gebruikt. Er is een loze ruimte in de Nederlandse samenleving die duidt op wie er vroeger was, wie er niet meer mocht zijn. Over wie er wel was en de keuzes die ze hebben gemaakt – niet in stilte, niet achter gesloten deuren, maar met alle vrijheid en overtuiging die ze tot hun beschikking hadden. De nalatenschap van die ruimte ervaren we per persoon anders: voor sommigen is het een schrijnende herlezing van een literaire held, voor anderen is het een stille ongemakkelijkheid rond 4 en 5 mei en voor anderen is het juist helemaal niets, een afwezigheid. Voor mij is het een paniekaanval op Utrecht Centraal na een Ajax-wedstrijd wanneer er ‘Joden aan het gas’ wordt gezongen. Mijn lichaam reageert zoals het lichaam van mijn moeder, grootmoeder en overgrootmoeder: maak jezelf onzichtbaar, maak dat je wegkomt. Met z’n allen zijn wij die ‘wij’ die deze brieven hebben geschreven, die ons hebben verhouden tot de geschiedenis, daar een deel van uitmaken.

Lucebert zegt wat over ons.

Wij zeggen meer.

Shabbat shalom,

– Yael