Over Lucebert XII

Thalia Ostendorf reageert op Andrew Ricca, Tommy van Avermaete, Jessie de Geus, Tessa de Zeeuw, Frans-Willem Korsten, Esther Edelmann, Marijke Gravemaker, Nike van Helden, Hubertus Mayr, Lieke Smits, en Bram Ieven, die haar voorgingen in deze kettingbrief over Lucebert.

 

Beste Andrew, Tommy, Jessie, Tessa, Frans-Willem, Esther, Marijke, Nike, Hubertus, Lieke en Bram,

De oorspronkelijke artikelen met onthullingen over Luceberts nazi-sympathieën had ik nog niet gelezen. Ik had er slechts van gehoord door de breed uitgemeten reacties erop in de media. Jullie brieven bereikten me dus nog vóór het originele krantenartikel in de Volkskrant op 8 februari 2018. Mezelf op afstand houden door het artikel niet te lezen leek me aanvankelijk gemakkelijker, omdat ik nog niet zeker wist of ik me in de discussie wilde mengen. Het lezen van jullie brieven heeft me dan ook aan het denken gezet over hoe we historische gebeurtenissen vaak op afstand zetten opdat we er niet al te lang over hoeven nadenken; en ook hoe “afstand” (op velerlei wijzen vormgegeven) in het historisch moment zelf een cruciale rol speelt bij het tot stand komen van die gebeurtenissen. Meer nog dan de reacties van culturele instellingen en personen die als zodanig gezien worden, valt me in het artikel van de Volkskrant de volgende zin op:

Hij verstuurde die brieven vanuit het kantoor van een springstoffabriek in Appolensdorf aan de Elbe, waar experimenten werden uitgevoerd voor de Duitse vliegende bom V1.

Dat Lucebert bij een springstoffabriek in Duitsland werkzaam was geweest was al bekend, en zelfs zijn vrijwillige aanmelding was al eerder beschreven in de biografie “Lichtschikkend en zingend – de jonge Lucebert” van Peter Hofman (2004). In de discussie die (voornamelijk online) gevoerd wordt, blijkt echter dat veel mensen dit gemist hadden, en dat zijn periode in Duitsland vaak als gedwongen dienstplicht ten tonele werd gevoerd. Nu dat laatste niet het geval blijkt te zijn, en Lucebert daar—middenin de oorlog—uit overtuiging naar toe getrokken was om bij te dragen aan die oorlog, heeft deze tot zin gereduceerde episode toch grotere implicaties dan alleen de onthulling over zijn politieke overtuigingen en het antisemitisme dat eruit blijkt.

De in de eerdere brieven genoemde ‘jeugdzonde’ wordt in de Volkskrant al aangezet. Wanneer het artikel spreekt over de jonge Lucebert die ‘Sieg Heil’ onder zijn brieven zette, is het plotseling “de 19-jarige Swaanswijk” of de “[d]e jonge Bertus” die dit doet. Ook hier wordt er bij voorbaat afstand genomen. Toch gaat de waardering die Lucebert uitte voor het Duitse gedachtegoed verder, want het zette hem aan tot actie en werk in deze fabriek. Bijdragen aan de wapenindustrie—ook al betrof het kantoorwerk—is een keuze met repercussies waarvan Lucebert zich, afkomstig uit een bezet land waar voor en na de overgave veel ammunitie (van beide kanten) naar beneden kwam, zich van bewust geweest moet zijn. Aan actieve bewapening bijdragen heeft directe gevolgen die alleen door fysieke afstand van hun slachtoffers verwijderd en daarmee aan het zicht onttrokken zijn. Dergelijke handelingen zijn materiële tegenhangers van abstracte noties van ‘zuivering’. Bij beide is er sprake van een ingebouwde afstand, en beiden droegen bij aan het dodental van de Tweede Wereldoorlog. Mensen worden ver genoeg van je af geplaatst om ze te kunnen veroordelen en vermoorden, en de ‘oorlogsmachine’ reikt de wapens daartoe aan.

De V-1 viel onder de Vergeltungswaffen (V-wapens) en was “een vliegende bom, of eigenlijk een klein robotvliegtuig”, zoals in het onderzoek Defensie- en oorlogsschade in kaart gebracht (1939-1945) van Elisabeth van Blankenstein (2006) vermeld wordt. Ik zie hierin een treffende overeenkomst met de werking en productie van moderne gemilitariseerde drones, die voortkomen uit een bedrijfstak die met opzet een afstand creëert tussen het productie- en ontwikkelingswerk en de reële consequenties en effecten ervan in de wereld. De bedrijven die Defensie-contracten binnenhalen, zetten hun ingenieurs vaak aan het werk zonder werkelijke details vrij te geven over het materieel dat ze maken. Dennis Hayes beschrijft deze manier van werken in Behind The Silicon Curtain (1990) in Silicon Valley, waar veel van deze wapens ontwikkeld worden. Al deze contracten vallen natuurlijk onder een strenge geheimhoudingsplicht, maar dit gebeurt ook omdat het lang niet altijd wenselijk is dat de mensen die wapens maken ook echt weten dat ze wapens maken. Dit zou kunnen zorgen voor morele dilemma’s bij de werknemers. Bovendien is het vrijwel onmogelijk om iets onbekends te saboteren. Het kan dus zo zijn dat iemand met een formule bezig is die later in het besturingssysteem van bewapende drones verwerkt wordt – zonder dat de persoon die dit gemaakt heeft hiervan op de hoogte is. Nu is de inhoud van dergelijke contracten met defensie misschien geheim, maar wanneer je weet dat het bedrijf waar je werkt dergelijke contracten is aangegaan, kun je aannemen dat je zelf ook met wapens bezig bent. Wat doe je, waar werk je aan mee, met of zonder medeweten? Hoe aannemelijk is het dat je echt geen idee hebt waar je aan bijdraagt?

Uit de reacties op de brieven van Lucebert zou je af kunnen leiden dat het eens zijn met wat je doet zwaarder telt dan het handelen zelf. Meewerken aan munitie voor de nazi’s kan wijzen op dienstplicht, fascisme, werkgelegenheid onder bezetting, antisemitisme en vooral: oorlogstijd. Wanneer we echter zeggen dat niet de acties alleen (het werk in de springstoffabriek), maar de acties in combinatie met de overtuiging ertoe doen (het werk in de springstoffabriek én ‘nazisympathieën’/antisemitisme), wordt de scheidslijn tussen ‘monsterlijk’ gedrag en iemand die ‘gewoon’ zijn werk doet wel heel dun. Dat was al bij Eichmann het geval, maar is dit alleen voor bureaucraten weggelegd?

Het punt is dat er niet enkel wordt bijgedragen aan ‘de oorlog’, ook al houden we van dergelijke abstracties, maar aan het verwonden of zelfs doden van andere mensen. Dit soort abstracties (evenals het idee van de ‘jeugdzonde’) werken samen met de bovengenoemde processen van bureaucratische en organisatorische compartimentalisatie om de fysieke en mentale afstand tot menselijk leed te behouden en te vergroten.

Deze afstand kunnen wij nu nog meer bewaren door het historische moment te benadrukken, alsof antisemitische uitbarstingen geïsoleerd en beperkt zijn tot de jaren 1939-1945. Als het alleen de beweegredenen zijn die handelingen een probleem maken, dan zou de geschiedenis zich dus zo weer kunnen herhalen, zolang de gang van zaken niet uitgesproken antisemitisch is. Op soortgelijke wijze heeft het op afstand zetten van de Tweede Wereldoorlog, als een “oorlog zoals geen andere oorlog ooit was en nooit meer zal zijn”, het effect dat deze vastgezet wordt als een onmogelijk-te-herhalen geschiedenis. Terwijl er Duitse concentratiekampen in Namibië stonden nog vóórdat deze in Europa werden neergezet; en ze ook nú nog steeds (of weer) bestaan, maar dan bestemd voor anderen die, zoals Lieke het omschreef, als “té anders” worden ervaren.

Ik kwam voor het eerst in aanraking met Lucebert’s werk te midden van andere denkers en schrijvers die in jullie brieven al eerder genoemd werden als ‘gevallen’. Denkers die ooit bijna godheden waren, maar plotseling dus racistisch of antisemitisch bleken te zijn. Het verschil met het geval Lucebert is dat deze onthullingen—in theorie—allemaal al “oud nieuws waren”. We wisten namelijk toch al heel lang dat Hegel bepaalde groepen mensen niet echt als ‘hele’ mensen zag? Maar voor mij en ongeveer vijf andere studenten bleef deze kennis problematisch en moeilijk te accepteren, omdat we door onze uiterlijke kenmerken tot die bewuste groep behoorden. Deze vorm van (historische) distantie was ons, net als veel anderen, dan ook niet gegund. Voor bepaalde groepen mensen is oud nieuws eigenlijk gewoon actueel nieuws, en soms ook een voorbode of bevestiging van de toekomst.

Soortgelijke springstoffabrieken als waar Lucebert in werkte werden gebouwd om aan de afname van een land in oorlog te voldoen. Ze stonden vaak in gebieden waar de mannen al waren opgeroepen voor het leger, en er ook niet voldoende vrouwen aan het werk gezet konden worden (voornamelijk omdat ze elders al aan het werk waren). Het tekort werd tegemoet gekomen met wat men “overwegend onvrijwillig personeel” noemt. Een korte online zoektocht naar “Appolensdorf aan de Elbe” levert alleen verzorgingshuis Appolensdorf (naast de Elbe) op. Verder lijkt de fabriek onvindbaar, verdwenen. Andere springstoffabrieken in Duitsland zijn wel te vinden, inclusief foto’s, en deze hebben een opvallende visuele gelijkenis met een andere verlaten industrie. De fabriek Werk Tanne, de derde grootste producent van munitie en springstoffen tijdens het Derde Rijk, ligt er net zo verlaten bij als plantage Marienburg in Suriname. De een gedwongen achtergelaten na een verloren oorlog, de ander uit winstverlies en desinteresse. Het zijn tastbare herinneringen aan de ‘monsterlijke’ systemen die Bram ook noemde. Wat we met deze afbrokkelende kolossen moeten doen is een vraag die me bezighoudt sinds ik vorig jaar in Suriname erachter kwam dat veel oude plantages omgebouwd worden tot resorts voor toeristen. Het idee leek respectloos, maar het werd me ook duidelijk dat dit een manier is om deze gebouwen te beschermen tegen het oerwoud dat ze langzaam opslokt. Op dit moment is het enige alternatief dat ze verdwijnen, en met hen ook de herinnering. Het blijft een moeilijke kwestie, waar we over moeten blijven nadenken. Het ongemak die de aanwezigheid van ‘monsterlijke’ systemen in ons heden en verleden veroorzaken willen we graag neutraliseren. Fysieke en/of mentale afstand maken en nemen is alleen niet noodzakelijkerwijs de betere optie en mag dan ook met scepsis bekeken worden. Het artikel in de Volkskrant sluit af met Lucebert’s gedicht “school der poëzie”; het werk van een dichter die ik voor het eerst las op de universiteit, en wiens werk ik altijd prachtig heb gevonden. Maar zo onder aan het artikel, samen met onthullingen en lofuitingen, zei het gedicht me niets. Als het bedoeld was om de lezer ongemakkelijk te doen voelen door zijn dichtkunst naast de nieuwgevonden informatie zetten, werkte het fantastisch.

er is een grote norse neger

 

er is een grote norse neger in mij neergedaald
die van binnen dingen doet die niemand ziet
ook ik niet want donker is het daar en zwart

 

maar ik weet zeker hij bestudeert er
aard en structuur van heel mijn blanke almacht
hij morrelt wat aan halfvermolmde kasten

 

dat voel ik – splinters schieten door mijn schouder
nu leest hij oude formulieren dit is het lastigst
teveel slaven trok ik af van de belasting

 

Groeten,

Thalia