Over Lucebert XI

Bram Ieven reageert op Andrew Ricca, Tommy van Avermaete, Jessie de Geus, Tessa de Zeeuw, Frans-Willem Korsten, Esther Edelmann, Marijke Gravemaker, Nike van Helden, Hubertus Mayr en Lieke Smits, die hem voorgingen in deze kettingbrief over Lucebert.

 

Beste Andrew, Tommy, Jessie, Tessa, Frans-Willem, Esther, Marijke, Nike, Hubertus en Lieke,

De eerste keer dat ik iets van Lucebert las was ik vijftien of zestien. Of misschien had ik wel een jaar of wat eerder wat van hem gelezen. Mijn moeder had van haar opleiding tot onderwijzeres een bloemlezing moderne Nederlandse poëzie waarin één gedicht van Lucebert stond. “Ik draai een kleine revolutie af.” Ik vond het wel geinig, maar echt gegrepen was ik niet. Het was te mechanisch en eigenlijk te voor de hand liggend.

Maar toen ik dus vijftien of zestien was en wat meer interesse begon te krijgen in poëzie, leende ik Van de roerloze woelgeest bij de bibliotheek. Het is de op één na laatste bundel die Lucebert voor zijn dood in 1994 publiceerde, maar dat wist ik toen niet. (Als ik het wel wist kon het me waarschijnlijk niets schelen.) Het was wat beschikbaar was bij een plaatselijke bibliotheek op het Vlaamse platteland in een wereld zonder internet. Ik was een slaapwandelaar in de literatuur.

Jarenlang is één gedicht uit die bundel me blijven boeien, “een ontmoeting.” Het is eigenlijk een volkomen atypisch gedicht voor Lucebert. De stijl- en betekenisfiguren buitelen voor de afwisseling eens niet over elkaar en het gedicht bestaat uit een korte anekdote, gepresenteerd zonder veel opsmuk. De dichter en zijn vrouw bezoeken het musée d’histoire naturelle (vermoedelijk in Parijs). Een man voor het museum presenteert zich als een dichter (“ik ben niet alleen een verdrevene / maar ook een dichter.”) Wanneer de vrouw van de dichter vervolgens meedeelt dat haar man ook dichter is, leidt dat tot de miscommunicatie in de laatste drie regels van het gedicht:

ook dat is mogelijk
maar ik verstond
zelfs dat is onmogelijk

Het waren deze laatste drie regels die me nooit meer hebben losgelaten. Om de zoveel tijd dacht ik eraan terug, als aan een raadsel dat ik maar niet snapte. Nu is Luceberts oeuvre één groot ondergronds gangenstelsel vol raadsels, maar ‘een ontmoeting’ is toch anders. Het springt er uit door het narratieve karakter en de eenvoud. Het moment van de herkenning van een gemeenschappelijke roeping (hé, ben jij ook dichter? Ik ook!) wordt omgedraaid: van mogelijkheid naar onmogelijkheid. Maar die onmogelijkheid is een groot misverstand. De dichter luistert gewoon slecht. Is dat de boodschap? Ik weet het niet.

Wat ik wel weet, en waarom dit gedicht me ook is blijven boeien, is dat het mooi duidelijk maakt hoe mogelijkheid en onmogelijkheid, zowel in de literatuur als in het werkelijke leven, nauw in elkaar vervlochten lijken.

Dat is ook wel vervelend, want het liefst willen we natuurlijk dat de zaken simpel zijn. De slechten zijn slecht en de goeden zijn goed. We willen het liefst monsters zien, zoals Frans-Willem en Esther (allebei op een andere manier) terecht opmerken en bekritiseren. Voor de toevalligheid en context van verkeerde keuzes is vaak geen plaats. Wanneer ze er wel een krijgen, dan is dat meestal door middel van veel te eenvoudige, pasklare narratieven: de jeugdzonde, het gemankeerde genie. Eenvoudige narratieven die met literatuur noch het leven veel te maken hebben.

Of Lucebert in de grond een nazi was (de vraag naar het monster), lijkt me dan ook niet de juiste vraag – daarin volg ik Frans-Willem. Want als literatuur ons iets toont, dan is het wel dat er niet zoiets is als een grond. Integendeel. Literatuur rukt de ene na de andere grond onder onze voeten weg. De poëzie van Lucebert doet dat ook. Zijn gedichten laten in rap tempo het ene na het andere betekenisfiguur ritmisch op elkaar botsen. Je komt van de ene in de andere betekenis terecht, betekenissen die elkaar niet zelden lijken uit te sluiten of ongedaan lijken te maken. Een prachtig web van contradicties dat zicht geeft op een vreemd, maar boeiend poëtisch universum waarin mogelijkheid en onmogelijkheid akelig dicht bij elkaar liggen.

Dat is uiteindelijk wat me boeit in literatuur en wat me er steeds weer toe brengt om terug te keren tot literatuur: een goed literair werk laat zien dat de zaken altijd complexer zijn dan je zou denken, minder vanzelfsprekend ook dan je zou denken, vol ongeschreven en onuitgesproken regels en gewoontes, en vol tegenstrijdigheden. En dat doet het door een wereld op te roepen.

Dat is bijna nooit de wereld van de status quo. Meer zelfs, het is bijna nooit een wereld waarin überhaupt een status quo heerst.

Omdat ze ons toont dat er geen grond is, of dat er geen wezenlijk moreel kompas is, leert literatuur ons juist niet hóe te leven. Misschien helpt literatuur ons wel ín het leven, bijvoorbeeld door onszelf te verhouden tot onszelf en ons handelen, maar dan toch vooral omdat ze laat zien hoe complex het leven is, en in ieder geval niet omdat ze een duidelijke houvast geeft. Literatuur is mogelijkheid én onmogelijkheid die moeiteloos (maar niet zonder gevolgen) door elkaar worden gehaald.

Maar dit alles wil niet zeggen dat er geen keuzes gemaakt moeten worden, of dat er niet gehandeld moet worden. Integendeel, ondanks die complexiteit en ondanks dat er geen werkelijke grond lijkt te zijn – dus ondanks dat inzicht dat literatuur ons kan meegeven – moet er toch gehandeld worden. Dat is engagement volgens mij: doordrongen zijn van complexiteit en onzekerheid, maar toch handelen. En hoe minutieus je die handelingen achteraf ook deconstrueert of contextualiseert, ze hebben plaatsgevonden, ze kunnen niet ongedaan gemaakt worden, en ze hebben reële gevolgen.

Lucebert was geen groter slaapwandelaar dan wij. Zijn daden hadden werkelijke gevolgen voor werkelijke mensen. Lucebert ontzien, daar voel ik dan ook weinig voor, juist omdat ik ook onszelf niet wil ontzien. Zoals Lucebert zelf schrijft in Troost de hysterische robot: “met bezeten regelmaat / ontzien wij elkaar met open ogen / meer uit vrees dan mededogen.” Hoe oprecht is het eigenlijk om iemand te ontzien, wanneer dat gemotiveerd wordt door vrees, in plaats van mededogen? Laten we die fout niet meer maken. Ik zeg liever: wij zijn monsters, dan dat ik de monsterlijkheid in Luceberts misstappen negeer (of via context of simpele narratieven probeer weg te poetsen).

(En geloof me, wij zijn monsters. We zijn op vrijwel onverschillige wijze medeplichtig aan het voortbestaan van een sociaal systeem dat structureel geweld uitoefent op het milieu, op dieren – 627.511.800 geslacht in Nederland in 2017 – , en op mensen – tussen 2014 en 2015 verloren naar schatting 23.700 mensen hun leven in een poging om binnen de grenzen van Europa te komen. Een Europa waarin structurele discriminatie en geweld op basis van ras, gender of klasse schering en inslag zijn, en een goede miljoen mensen leven en werken onder omstandigheden die we als slavernij kunnen aanduiden.)

Ik voel daarom wel wat voor het voorstel van Jessie om het foute verleden van Lucebert aan te grijpen om ons opnieuw tot zijn werk te verhouden. Dat wil voor mij echter niet zeggen dat we nu de schuldige Lucebert gaan zoeken, of naar sporen van zijn foute verleden gaan zoeken in zijn werk. Boeiender lijkt het me om met dat in onze gedachten te kijken in hoeverre we door middel van Luceberts werk (misschien zelfs breder: door middel van literatuur) onszelf tot onszelf kunnen verhouden. Want zolang we individuen verketteren, verhouden ons niet tot onszelf, en ook niet tot de fijnmazige structuren van geweld waar wij in vervlochten zijn. En dat wegkijken en elkaar ontzien is dan ook meer uit vrees zijn dan mededogen, vermoed ik.

Alle goeds,

Bram