Over Lucebert X

Lieke Smits reageert op Andrew Ricca, Tommy van Avermaete, Jessie de Geus, Tessa de Zeeuw, Frans-Willem Korsten, Esther Edelmann, Marijke Gravemaker, Nike van Helden en Hubertus Mayr, die haar voorgingen in deze kettingbrief over Lucebert.

 

Beste Andrew, Tommy, Jessie, Tessa, Frans-Willem, Esther, Marijke, Nike en Hubertus,

Ik heb jullie brieven met plezier gelezen en zie een interessante gedachtewisseling ontstaan, die me doet me denken aan een uitspraak van Bernard van Chartres uit de 12de eeuw: “Wij zijn als dwergen, zittend op de schouders van reuzen, zodat wij meer en verder zien dan zij, niet zozeer door de scherpte van onze eigen blik of door de lengte van ons lichaam, maar omdat wij in de hoogte worden getild en verheven worden door de grootheid van de reuzen.” Inmiddels is er een acrobatische toren van briefschrijvers ontstaan waarop ik plaatsneem, zij het enigszins schoorvoetend – niet vanwege instortingsgevaar, maar omdat ik hoop dat mijn blik scherp genoeg is. Vanuit deze hoogte probeer ik zicht te krijgen op het veelomvattende onderwerp van deze kettingbrief. Het gaat niet alleen om Lucebert, met wiens werk ik, zoals volgens mij veel van mijn voorgangers, vrij slecht bekend ben, maar ook om de antisemitische ideologie waar hij blijkbaar sympathie voor had en de vraag wat deze nieuwe kennis voor zijn werk betekent.

Ik wil mij allereerst op het tweede punt richten door de vraag te stellen hoe mogelijke reacties op Lucebert’s nazistische uitspraken gezien kunnen worden tegen het licht van antisemitisme binnen de Nederlandse samenleving. In de voorgaande brief besprak Hubertus al de ophef rondom een Duitse muziekprijs, een voorbeeld dat aantoont dat antisemitisme voorkomt in de mainstream cultuur van jongeren, maar tegelijkertijd ook hele sterke afwerende reacties oproept.

In Nederland lijkt antisemitisme in het publieke debat vooral iets te zijn wat als niet ‘echt’ Nederlands gezien wordt, maar van buitenaf komt. In de manier waarop over de Tweede Wereldoorlog wordt gesproken ligt vaak de nadruk op Nederlandse onschuld en het nationaalsocialisme als een ideologie van over de grens. De afgelopen tijd is antisemitisme in de media herhaaldelijk gereduceerd tot een product van de opkomst van de islam in het Westen. In beide gevallen wordt het beschouwd als een importideologie. Als antisemitisme zo on-Nederlands is, hoe kan een van de grootste Nederlandse dichters dan antisemitische ideeën hebben gehad? Dat moet dan wel een vergissing zijn geweest. Lucebert’s uitlatingen wegwuiven als een jeugddwaling, veroorzaakt door zijn affiniteit met de Duitse cultuur, is een makkelijke manier om de onschuld van de Nederlandse cultuur en maatschappij te blijven volhouden.

Hubertus stelt de vraag hoe wij jonge nazisympathisanten de gevaren van hun ideologie nog kunnen bijbrengen, als we Lucebert in eerste instantie al vergoelijken. Hiermee haakt hij in op een grotere discussie, namelijk wat voor effect het al dan niet veroordelen of framen van een misstap in de praktijk kan hebben. Anke Laterveer heeft een recente bijdrage aan deze discussie geleverd in een stuk over de daders van seksueel geweld (https://www.oneworld.nl/harlot/verkrachters-zijn-monsters-maar-lang-niet-allemaal/). Laterveer laat zien dat daders zich vaak wel bewust zijn van wat ze hebben gedaan, maar zichzelf niet als verkrachter of aanrander kunnen zien. Zo iemand is immers een monster, en dat is niet verenigbaar met hun zelfbeeld. Laterveer pleit er dan ook voor om van het idee van de dader als monster af te stappen, zodat daders zichzelf eerder als dader zullen herkennen. Dit kan weer leiden tot het betuigen van spijt, wat uiteindelijk de kans op herhaling verkleint. De toepassing van dit idee op Lucebert levert een beeld op dat volgens mij goed aansluit bij Hubertus’ overwegingen: Lucebert was ‘fout’, maar is daarmee geen monster. Zijn politieke werk van na de oorlog suggereert dat hij zijn fout inzag en spijt had, al uitte hij dat niet publiekelijk. Op die manier kan Lucebert misschien van een vaderlandse held veranderen in een voorbeeld voor nazisympathisanten en andere ‘daders’, maar dan een voorbeeld zonder voetstuk. Wellicht kan Lucebert ons leren dat van gedachten veranderen niets is om je voor te schamen.

Ik merk dat ik nog helemaal niet ben toegekomen aan de vraag hoe de nieuwe kennis over Lucebert de lezing van zijn werk beïnvloedt, wat misschien verraadt dat mijn interesses meer cultuurhistorisch dan literatuurwetenschappelijk van aard zijn. In de week waarin ik aan deze brief schreef werden de reisdagboeken van Einstein gepubliceerd, waarin hij zich xenofobisch over Aziatische mensen uitliet. Dit roept natuurlijk vragen op over Einstein’s expliciete afwijzing van racisme, maar op zijn voornaamste werk lijkt het weinig invloed te kunnen hebben: niemand zal voorstellen de relativiteitstheorie ‘anders te lezen’. Dat deze vraag wel opkomt als het om een dichter gaat, laat volgens mij nu juist zien wat literatuur en kunst in bredere zin zo interessant maakt. Literatuur komt voort uit een mens, (die vaak menselijker is dan we zouden willen,) maar gaat, overgeleverd aan de lezer, een eigen leven leiden. Een literaire tekst is altijd historisch verankerd, maar wordt vaak gelezen in een hele andere context dan waarin het is ontstaan. Literatuur kan veel over de tijd van schrijven zeggen, maar kan ook iets universeels bevatten. Daarnaast wordt iedere lezing beïnvloed door de ‘verwachtingshorizon’ van de lezer, zodat de receptie van een werk ons iets kan vertellen over de cultuur waarin het gelezen wordt. Deze gelaagdheid maakt dat we steeds hogere torens van critici, literatuurwetenschappers, historisch letterkundigen en andere lezers kunnen bouwen, die door hun verschillende posities binnen het bouwwerk steeds weer andere perspectieven op literatuur te bieden hebben – nu eens door middel van een close reading, dan weer met een bredere blik op culturele context. De discussie rondom Lucebert laat in ieder geval zien dat de auteur, zelfs een dode auteur, voor het publiek zeker niet dood is. Ook al willen we het werk scheiden van de biografische gegevens, nu beide in de wereld zijn gaan ze onvermijdelijk een wisselwerking met elkaar aan.

Ten slotte komt de vraag bij mij op: zal men Lucebert, naast anders lezen, nu ook politiek anders gaan gebruiken? Een CDA-rapport over maatregelen tegen terrorisme uit 2006 heeft al eens de titel ‘Alles van waarde is weerbaar’ gebruikt, een literaire mishandeling waar Lucebert absoluut weerloos tegen bleek. Hoewel dit voorbeeld nog redelijk onschuldig is, vraag ik me af of we door de nieuwe biografische informatie voor erger moeten vrezen. Als mediëvist ben ik mij pijnlijk bewust van het feit dat extreemrechtse groepen zich graag bepaalde historische perioden of personen toe-eigenen – denk aan Marine le Pen die zich als een moderne Jeanne d’Arc presenteert, en de Friese ‘Jenny d’Arc’. Is er het gevaar dat Lucebert een boegbeeld wordt voor extreemrechts, en door hen geprezen wordt voor wat wij als fout zien? Zou Lucebert’s bekendste citaat ooit zomaar een fascistische leuze kunnen worden? Om een dergelijke ontwikkeling voor te zijn, is het noodzakelijk om het beeld van de dichter en zijn werk te blijven nuanceren. Naast mogelijke nieuwe lezingen die naar Lucebert’s oorlogstijd verwijzen, is het belangrijk om ook te blijven aantonen dat dit niet het enige interessante aspect aan zijn werk is. Zowel op politiek als literair vlak heeft hij nog veel meer te bieden. Deze noodzaak roept vragen op over de aard van het publieke debat: hoe past nuance binnen de tendens tot polarisering in het publieke landschap? Kan nuancering in plaats van een aansluiting bij ‘het redelijke midden’ – een artificiële positie die men zich in dit landschap kan aanmeten – ook een kritische, radicale positie zijn die zich juist aan de polarisatie onttrekt?

Hartelijke groet,

Lieke