Over Lucebert VIII

Nike van Helden reageert op Andrew Ricca, Tommy van Avermaete, Jessie de Geus, Tessa de Zeeuw, Frans-Willem Korsten, Esther Edelmann en Marijke Gravemaker, die haar voorgingen in deze kettingbrief over Lucebert.

 

Beste Andrew, Tommy, Jessie, Tessa, Frans-Willem, Esther en Marijke,

Enkele jaren terug kocht ik in een boekhandel een uitgave uit 1980 van De ruïnebouwer van Bernlef. In het boekje onderzoekt de auteur hoe het toch mogelijk was dat Albert Speer, een creatieve en intellectuele man, kon werken als architect en later zelfs als Minister van Bewapening van de nazi’s. Die twee uitersten (creatieve intellectueel en ‘toch’ nazi) waren voor Bernlef niet te bevatten en vormden de aanleiding voor zijn verkenning van ‘het raadsel Speer’. Dit leidde hem onder andere langs de door Speer ontworpen Reichsparteitagsgelände net buiten Neurenberg. Dat is het manifestatieterrein waar de NSDAP de partijdagen hield, speciaal ontworpen om de grootsheid en samenhorigheid van het Derde Rijk uit te dragen en te ervaren. De manier waarop Bernlef het werkbezoek omschrijft is veelzeggend. De plek leek volledig met hem aan de haal te gaan, deed hem krimpen tot het formaat van een mier en riep een angst op die de schrijver zelf moeilijk kon verklaren. Het grote nazi-kruis dat ooit prijkte op de Haupttribüne des Zeppelinfeldes werd kort na de oorlog opgeblazen, en ook een stuk van de enorme ombouw werd neergehaald; maar het effect dat Speer voor ogen had gehad bij het ontwerpen van het complex was nog altijd voelbaar. Dit was iets dat Speer ook voor ogen had overigens: zelfs in de ruïne moest men later nog de grootsheid van het Derde Rijk kunnen ervaren.

Twee jaar geleden reisde ik zelf naar het complex af. Terwijl ik boven op de tribune zat te staren naar de plek waar Hitler ooit de massa’s toe had gesproken kwam er een Nederlands gezin omhoog geklommen. Nauwelijks boven kreeg de vader zichtbaar een ingeving en zette direct de afdaling weer in. Het was warm die dag en de treden van de trap zijn bovenmenselijk hoog, waardoor zelfs een fit mens nederig en bezweet de top bereikt (Hitler zelf had via de koele hal twee normale trappen tot zijn beschikking). Ik vertel de omstandigheden van de dag dat ik daar zat erbij, om duidelijk te maken dat de vader op dat moment tijd, reden en gelegenheid genoeg had om nog van de uitvoering van zijn plan af te zien. Hij vond enkele meters onder ons echter het gewenste kikvorstperspectief, en moedigde zijn tienerzoon, die inmiddels op Hitler zijn plek had plaatsgenomen, aan om zijn rechter arm eventjes te strekken. Een Nederlandse sukkel vereeuwigd op Hitler zijn sokkel. Terwijl ik daar zat vroeg ik me af wat ze zouden doen met die foto. Zouden ze hem lachend aan familie en vrienden laten zien? Zouden die beleefd meelachen, blikken van verstandhouding uitwisselen, boos worden? Zou het gezin zelf het beeld achteraf toch wat ongemakkelijk vinden, of zouden ze de foto ingelijst aan oma geven om haar dressoir wat op te fleuren? (Oei, zou oma ‘fout’ zijn geweest?)

De plek en het voorval riepen de vraag in me op wat je moet doen met een herinnering wanneer het herinnerde niet meer acceptabel is? Zwijgen, zoals Lucebert? Of ben je verplicht om ‘fout’ verleden te etaleren? Moet de Reichsparteitagsgelände tot in de lengte der dagen blijven staan? En hoeveel gemeenschapsgeld mag het onderhoud van zo’n complex moreel gezien kosten? Kortom: wat doe je met een sokkel nadat de held gevallen is? Laat je het staan, zodat een willekeurige sukkel erop plaats kan nemen? En wat doe je met de gevallen held zelf? Het probleem met dit soort tastbare herinneringen is dat de manier waarop we ons tot hen verhouden ons verplichten om kleur te bekennen. Deze objecten plaatsen ons aldus voor de onmogelijke opgave om te bepalen wat de meest passende manier is om om te gaan met dat wat zelf ongepast is geworden.

Ik moet denken aan een bezoek aan het communistisch museum in Praag, tijdens een andere vakantie, waarbij de bustes van vrijwel alle invloedrijke communistische en socialistische leiders al dan niet met sokkel dicht op elkaar gepakt op de vloer stonden. Door de ‘grote leiders’ te presenteren als een stuurloos groepje koppen waar je als bezoeker letterlijk op neer keek, had het museum het effect en de betekenis van de beelden ontegenzeggelijk veranderd. Er stond echter meer op het spel dan alleen het onschadelijk maken van het verleden; het nieuwe verhaal dwong de bezoeker tot een bepaalde lezing van het heden. Zoals Esther en Marijke ook al aangaven is een discussie over een ‘fout’ verleden überhaupt niet los te zien van een reflectie op het heden. In welke context we een met ‘fout’ bestempeld werk ook plaatsen, het zegt iets over ons. Daar dient het stempel ook voor trouwens. Wat door de onthulling van Hazeu op het spel staat, is dan ook niet zozeer onze lezing van Lucebert, maar veeleer onze lezing van ‘fout’ zijn; of specifieker, onze lezing van onszelf als niet-‘fout’, ons eigen ‘goed’ ten opzichte van het absolute nazi-kwaad.

Marijke en Frans-Willem noemden in dit licht allebei de huidige afrekencultuur en de strategie van de aanval. Zoals Frans-Willem opmerkt heeft een dergelijk aanval vooral tot doel om ‘over de eigen angst heen te toeteren’. Een mogelijk verklaring voor de verontwaardiging en de persoonlijke en heftige reacties op het nieuws over Lucebert is dat nazisympathie nog altijd taboe is. Ik gebruik de term ‘taboe’ hier niet in de nu gangbare betekenis van ‘onbespreekbaar’, maar volgens de definitie van Freud. Hij omschreef taboe als een object waarbij je uit de buurt moet blijven, omdat het aanraken ervan je besmet met iets schadelijks dat in het object besloten zit. ‘Object’ moet hier vrij opgevat worden; het kan inderdaad gaan om dingen, maar ook om woorden, ideeën, beelden of personen. Taboe kan overal aan kleven. Dat over het taboe niet gesproken kan worden, is slechts een gevolg van de besmettelijkheid ervan: het taboe zou op de taal over kunnen springen en zich zo verder kunnen verspreiden. Dat het nazisme taboe is, blijkt onder andere uit het feit dat Mein Kampf nog altijd verboden is, of uit de discussie die oplaaide toen in 2015 ineens de paarden van Thorak opdoken, die altijd voor de Rijkskanselarij van Hitler hadden gestaan. De angst bestaat dat hun circulatie in de publieke ruimte een spontane opleving van het nazisme zou bewerkstelligen. Eenmaal ‘aangeraakt’ zou het taboe zich verspreiden als een virus. De strategie is dus duidelijk: als iets taboe is, blijf er dan met je tengels van af; en als je dat écht niet kan laten, blijf dan een verdomd end bij me uit de buurt.

Nu bleek onlangs dat Lucebert, die zijn lezers allemaal zo ‘raakte’, ook nog even aan het nazisme gezeten had. Paniek en verontwaardiging, want dit hadden we wel willen weten vóór we jarenlang aan zijn werk werden blootgesteld. De één smijt als het ware Lucebert en alles wat ermee te maken heeft zo ver mogelijk bij zich vandaan in de hoop ongeschonden weg te komen. De ander erkent het bestaan van het virus, maar vertelt er wel meteen bij dat de specifieke variant-Lucebert slechts actief was tijdens de zéér jonge jaren, dat het geen agressieve variant betrof, dat het vanzelf weer overging en uiteindelijk zelfs heeft geleid tot een verhoogde resistentie voor soortgelijke ziekten (denk aan zijn kritiek op de atoombom en ‘Minnebrief aan onze gemartelde bruid Indonesia’). Nog voordat duidelijk is waar we mee te maken hebben, lijkt het vaccin dus al gevonden te zijn. Nota bene in de Lucebert die we al kenden. Dat is wel heel toevallig, niet?

Nadere bestudering wijst dan ook uit dat we niet tot de kern van het probleem zijn doorgedrongen, maar dat we er met een mooie cirkelredenering omheen hebben gedraaid. We begonnen met de vraag hoe het kan dat iemand die ‘goed’ werk heeft geschreven, toch ‘fout’ kan zijn geweest. De conclusie is nu dat hij ‘goed’ werk kon schrijven, omdat hij vroeger ‘fout’ was. Dit antwoord geeft weinig voldoening, vooral ook omdat er genoeg schrijvers zijn die niet ‘fout’ waren en toch ‘goed’ werk schreven. We zijn dus terug bij de vraag ‘hoe is het toch mogelijk dat?’, waar de hele discussie, en ook Bernlef zijn zoektocht naar Speer, eerder mee begon.

Esther merkte in haar brief al op dat dit een problematische vraag is (als ik me niet vergis is dit ook de ‘vorm’-vraag waar Tessa over schreef). Het probleem met de vraag zit hem in de aanname dat kennis deugd is en dat een intellectueel dus onmogelijk foute ideologie kan aanhangen. Deze aanname kwam weer in zwang met het verlichtingsdenken dat de intellectueel presenteerde als ‘lichtend voorbeeld’ in de strijd tegen de barbarij (de ironie van het pseudoniem ‘Lucebert’ zal u niet ontgaan in deze context). Het idee is dat educatie en ontwikkeling ons per definitie weg doen bewegen van geweld en al wat ‘fout’ is, maar zoals Esther en Frans-Willem ook al aangaven staat deze aanname haaks op alle bevindingen. De rij van intellectuelen die zich verbonden hebben aan het nazisme of ander ‘fout’ gedachtengoed is vrijwel oneindig. Om verder te komen in onze redenering zullen we daarom af moeten stappen van het idee dat intellect inherent ‘goed’ is en ‘foute’ ideologie ons van buitenaf grijpt als een ‘onmenselijk’ virus. Deze schijntegenstelling weerhoudt ons ervan de beweegredenen van mensen te begrijpen. We staren ons stuk op dat ‘fout’. Wat ik bedoel is dat de vraag ‘hoe kan het?’ al verbonden is aan de beelden van de concentratiekampen, de slachtoffers, de aangrijpende verhalen. Met de verhalen van de slachtoffers werd echter niet gepropageerd tijdens de oorlog. Dat is niet waar de massa’s achteraan liepen, dat is niet waar het ‘fout’ ging. Om zicht te krijgen op de aantrekkingskracht van bepaalde denkbeelden, zullen we over onze angst voor besmetting heen moeten stappen en ons bloot moeten stellen aan de effecten die we zo vrezen.

Daar zat ik dus twee jaar terug op de trappen van de Haupttribüne. Ik verlegde mijn aandacht van de bekende beelden (herhaald door de tienerjongen die de Hitlergroet bracht) naar de ervaring van de ruïne zelf. Net als Bernlef ervoer ik dat de plek speelde met de menselijke maat en de manier waarop ik mij tot de omgeving verhield. Het veld was omsloten door bijgebouwen en een met gras begroeide wal, waardoor de ruimte niet onmenselijk groot aanvoelde. De grootte viel pas op als je van punt a naar punt b probeerde te komen en daarbij nauwelijks vooruit kwam. De term ‘grootsheid’, die Speer voor ogen had, zou ik er niet direct aan willen hangen, maar het bezoek maakte wel iets duidelijk over de manier waarop de nazi’s de beleving van het Derde Rijk probeerden te beïnvloeden. Door de plek op te zoeken en te ervaren werd me pas duidelijk hoe de grootte van het veld en de gebouwen tegelijkertijd een gevoel van trots en nietigheid op moesten hebben geroepen tijdens de manifestaties. Dit effect is slechts een klein stukje van het verhaal en misschien niet het spannendste stuk, maar waar het mij om gaat is dat je iets wezenlijks mist als je bepaalde onderwerpen stelselmatig uit de weg gaat uit angst voor de gevolgen. Die gevolgen liggen ook op de loer als je wegkijkt. Ik zou zelfs willen zeggen dat die gevolgen juist op de loer liggen als je wegkijkt. Ik zou er daarom voor willen pleiten om de angst niet meteen weg te toeteren, maar af en toe eens aan te gaan door stil te zijn op een ‘foute’ plek. Of door Lucebert te lezen. Waarom niet?

Groet, Nike