Over Lucebert VII

Marijke Gravemaker reageert op Andrew Ricca, Tommy van Avermaete, Jessie de Geus, Tessa de Zeeuw, Frans-Willem Korsten en Esther Edelmann, die haar voorgingen in deze kettingbrief over Lucebert.

 

Beste Andrew, Tommy, Jessie, Tessa, Frans-Willem en Esther,

Lucebert zag zichzelf als ‘stralend licht’. Zijn pseudoniem koos hij niet zelf, maar ontving hij van Hölderlins Diotima: “anders anders bekend maar herkend toen, / zij mij lucebert noemde diotima mij” (apocrief). Hij geloofde dan ook dat voor hem een eenvoudig leven niet weggelegd was, omdat dat een verspilling zou zijn van zijn buitengewoon talent. Hij maakte zichzelf tot idool, benadrukte zijn genialiteit, en het belang van zijn ontwikkeling voor ‘Volk en Vaderland’.

In 1953 kroonde de Groene Amsterdammer hem tot de keizer van de Vijftigers. Hij werd niet alleen zo genoemd, maar ensceneerde zichzelf ook zo. Hij ging in keizerlijk ornaat naar een tentoonstelling in het Stedelijk Museum. Helaas was niet iedereen van zijn majestueus optreden onder de indruk. Hem werd de toegang ontzegd. De literaire geschiedenis kwam hij daarentegen wel binnen: literaten beschouwen hem als de grootse Nederlandse avant-garde dichter van de 20ste eeuw. Ilja Leonard Pfeijffer schrijft zelfs: ”Lucebert is een profeet die met de grootst mogelijke urgentie een boodschap schreeuwt en fluistert” (in Lucebert, zij heeft haar naam vergeten: 2012).

Voor iedere heilige een kaars! Soms flakkert de kaars, dreigt het licht van de kaars te doven en is de eer van weleer.

Zo lijkt het nu ook het geval te zijn bij Lucebert.

In een tijd waarin het persoonlijke publiek geworden is, en er een onthullingscultuur heerst die drijft op sensatielust en morele verontrusting over vermeende of werkelijke ontsporingen van onze helden, staat het geval Lucebert niet alleen. Onze helden en idolen zijn immers publiek eigendom. Ze hebben een sociaal verbindende functie. Wij identificeren ons met hen en leven mee met hun wel en wee. Bovendien hebben ze een economische waarde, wordt er goed aan ze verdiend. Een nationale held werkt daarnaast ook constituerend voor de nationale identiteit. Hij dient daardoor het staatsbelang en heeft zo een sterk ideologisch karakter. Immers is de nationale held ‘onze’ held en daarom ook een stukje van wie wij zelf zijn. Daarom gaat er van helden en idolen altijd een polariserende werking uit. Zij scherpen het onderscheid aan tussen een ‘wij-groep’ en een ‘zij-groep’. ‘Onze’ helden, en daardoor ook wijzelf, zijn boven alle twijfel verheven. Wij zijn goed, de anderen hebben het bij het verkeerde einde, zijn fout of zelfs uitgesproken kwaadaardig.

Lucebert voelde zich sterk door de Duitse cultuur en literatuur aangetrokken. Het overlopende hart, de sentimentaliteit en overgevoeligheid van de Duitse Romantiek, komen in zijn brieven aan Tiny duidelijk naar voren. Zíjn helden waren Goethe, Hölderlin, Nietzsche en Schopenhauer. Hij zag zichzelf als genie in deze Germaanse traditie.

In het Duitse fascisme en nationaalsocialisme, dat gepaard ging met veel testosteron geladen militaristisch machtsvertoon, zag Lucebert het potentieel om de vitale ‘nieuwe samenleving’ en ‘nieuwe mens’ van Nietzsche te realiseren. Dat ook kunstenaars voor grote ideologieën vallen is niet nieuw. In de Eerste Wereldoorlog trokken immers talrijke expressionistische kunstenaars (o.a. Macke, Kirchner, Marc) enthousiast de oorlog in. Toen schreven dichters over de oorlog als zijnde iets dat een nieuwe gelouterde maatschappij zou baren.

Lucebert is hierop geen uitzondering. Omdat wij de kunstenaar tot idool en voorbeeld hebben verheven, en hij zichzelf later als morele instantie en geweten van de natie opwierp, voelen wij ons bedrogen. Hoe kon het zijn dat wij een fascist vereerd hebben? In een idool of voorbeeld menen we altijd een stukje van ons zelf te vinden, en aangezien ‘wij’ niet fout kunnen zijn, moeten we ons onmiddellijk van onze held distantiëren, of de dissonantie herstellen door de vermeende ontsporing als een romantische jeugdzonde af te doen: “Ze wisten niet wat ze deden”.

Dus Lucebert, 17 jaar jong, was óf fout óf een romantische idealist: maar half Duitsland was toen 17 jaar, jong en idealistisch. Zo ook Günter Grass.

Günter Grass was drie jaar jonger dan Lucebert toen hij zich vrijwillig meldde als Luftwaffenhelfer. Hij zat heel kort bij de marine, tot hij onderdeel van de Panzerdivison Fundberg werd en daar in 1945 gewond raakte. Toen hij 18 was, kwam hij in Amerikaans krijgsgevangenschap terecht. Hij werd werd dus direct bestraft voor zijn ‘foute’ gedrag. De collectieve naoorlogse morele veroordeling door de intussen gedenazificeerde Duitse maatschappij (de moreel goede ‘wij-groep’) gebeurde niet, want net als Lucebert zweeg Grass over zijn verleden.

En dat Grass zijn lidmaatschap als 17-jarige bij de Waffen-SS tot het jaar 2006 had verzwégen, zo schreef de conservatieve toonaangevende Frankfurter Allgemeine Zeitung, was het eigenlijke schandaal, niet het feit dat hij zich als 16-jarige vrijwillig had gemeld. Zijn bekentenissen, die hij in zijn autobiografie – “Beim Häuten der Zwiebel” verwerkte, maakte hij nadat de SS-archieven in Moskou openbaar toegankelijk werden. Het boek werd een bestseller, en daarmee hadden Grass en de uitgever zijn SS-verleden verzilverd. De publieke verontwaardiging die erop volgde was groot. De toenmalige Poolse president Lech Walesa vond dat men hem de Nobelprijs moest afpakken en het ereburgerschap van de stad Dantzig moest ontnemen. Grass zelf legt in zijn autobiografie uit waarom hij zweeg: hij zou anders waarschijnlijk nooit de grote schrijver zijn geworden die hij werd.

Toen hij op 84-jarige leeftijd het gedicht “Was gesagt werden musste” schreef, waarin hij zich als links profilerende auteur tegen het geweld en de bezettingen door de staat Israël keerde, werd het gedicht prompt geïnterpreteerd als een uiting van het latent aanwezige fascistische antisemitisme van de dichter.

En hoe kijken wij naar de jonge romantische idealisten van onze tijd, die net als Lucebert op zoek zijn naar een “groots en meeslepend leven” (Marsman)?

Marouane B., de 17-jarige jihadrapper, vertrekt uit Arnhem om in Syrië tegen het Asad-regime te strijden. Hij sluit zich bij de IS aan, bereid om als martelaar niet alleen voor Allah, maar ook voor een andere samenleving te sterven. Hij wil vechten voor een antiwesterse islamitische maatschappij. Maar antiwesterse en islamitische samenlevingen behoren al gauw tot de Busche As-van-het-kwaad. Ze zijn een foute ‘Zij-groep’. Ook Lucebert meldde zich vrijwillig bij de verkeerde groep. Hij ging als vrijwilliger voor de vijand, bezetter en agressor werken.

Tot zover geen verschil tussen Marouane en Lucebert? Jawel dus, aangezien Lucebert in Nederland bij de ‘wij-groep’ (blanke autochtone bevolking) behoorde; en Marouane B. in Nederland, ondanks zijn Nederlandse nationaliteit, tot de ‘zij-groep’ behoort. Hij is een jonge man met een Noord-Afrikaans (semitisch) uiterlijk, en wordt op basis daarvan gediscrimineerd.

In tegenstelling tot Lucebert, die eveneens voor een vreemde mogendheid ging werken, is de Arnhemse rapper geen ‘Schreibtischtäter’. Een ‘Schreibtischtäter’ is iemand die door middel van administratieve werkzaamheden bijdraagt aan in dit geval de wandaden van het nationaalsocialistische systeem, en is dus bij lange niet zo onschuldig als zijn werkzaamheden doen vermoeden. Een van de ‘sterke kanten’ van het nationaalsocialistische regime was immers de tot in de puntjes georganiseerde bureaucratie, die de transport- en vernietigingsmachinerie tot in de perfectie mogelijk maakte. Maar goed, Marouane is niet, zoals Lucebert, met boekjes van Goethe en Hölderlin en met een pen gewapend ten strijde getrokken. Nou zijn Marouane’s pennenvruchten ook niet dusdanig dat daar een oorlog mee te winnen valt:

“Mama, mama, ik kom ooit terug, Ma maak je niet druk, Ik ben op de vlucht, mama, Ik blijf van je houden tot de dag dat ik rust”

In plaats van met woorden laat Marouane zich in krijgstenue met een automatisch wapen voor een gekruisigd slachtoffer afbeelden.

Grass zweeg, en toen zijn geheim dreigde bekend te worden, schreef hij er een boek over. Lucebert zweeg zijn hele leven. Marouane B. gebruikt Facebook en Twitter om de hele wereld over zijn kruistocht te berichten. Hij twittert ook dat hij een linkse regering in Nederland zou begroeten en Denk een goede partij vindt omdat ze de moslims vertegenwoordigt. Marouane B. democraat in hart en nieren én terrorist? Marouane is bij verstek veroordeeld tot 6 jaar gevangenschap. Hij behoort tot de foute groep, is géén romantische idealist. Grass kwam in Amerikaans krijgsgevangenschap en keerde terug in een Duitsland dat een collectieve boetedoening onderging. Lucebert werd opgevangen in Amsterdam door gelijkgezinden, terwijl Nederland nog Duits bezet gebied was. Hij was dus niet ‘fout’ bij thuiskomst (dat werd hij pas toen de Duitsers de oorlog hadden verloren), en werd ook niet ‘bestraft’.

Het verwijt dat men Grass en Lucebert maakt, namelijk dat ze na de oorlog niet open over hun “dwaling” gesproken hadden, is verre van gerechtvaardigd. Er was immers heel lang in de naoorlogse periode geen discours over dat thema mogelijk.

Uit de reacties op de biografie van Hazeu blijkt dat ook nu nog de ressentimenten overheersen. Het is nauwelijks mogelijk een gesprek te voeren over wat de aantrekkingskracht van geweld, uniformen, oorlogen en fascistische ideologieën is op jonge mannen.

De geveinsde of oprechte collectieve verontwaardiging die op de onthullingen over Lucebert volgde was enorm. De ‘wij-groep’ was beledigd. Hazeu moest er zelfs letterlijk van kotsen.

De schreeuw van het bedrogen volk naar wraak golfde door de pers: scholen die naar Lucebert genoemd zijn moeten van naam veranderen, en zijn werk uit het museum verbannen.

In tegenstelling tot Grass en Marouane werd Lucebert niet tijdens zijn leven veroordeeld en over de hekel gehaald. Hij kwam zelfs met een pakket grootse eisen naar huis, gevuld met wat de staat voor hem als buitengewoon begaafde geest zou moeten doen. Dat zou ook de Europese cultuur ten goede komen. Het zou volgens Lucebert een groot onrecht zijn als hij met zijn talenten en geestdrift voor studie weer opgesloten zou worden in een zorgelijk bestaan, zodat “langzamerhand mijn waardevolle talenten en mijn krachtig omhoog strevende geestdrift teloorgaan door armoe en miskenning” (Hazeu 107).

De jonge Lucebert blies al vroeg hoog van de toren. Het stralende licht en de keizer van de avant-garde dichtkunst droeg zelf veel bij aan de mythevorming omtrent zijn persoon. Hij zag zichzelf al in de traditie van Schopenhauer, Meyer, Hölderlin en van Eeden de geschiedenis ingaan; en vroeg Tiny daarom zijn brieven voor het nageslacht te bewaren. Dat deze brieven na zijn dood niet de roem zouden bereiken als Schillers briefwisseling met Goethe mag postuum een teleurstelling zijn. Voor Hazeu en de Bezig Bij waren ze dat zeker niet. Niets verkoopt zich beter dan een biografie over een gevallen held en zijn verloren eer.

Over het herlezen van Lucebert en het zoeken naar de fascist in zijn gedichten wil ik Lucebert zelf aan het woord laten:

“De kunst is in de meeste gevallen een mooi tapijt, waaronder het geweten verstopt wordt, niet alleen esthetisch maar ook ethisch.”

En tenslotte:

“Er wordt al genoeg geouwehoerd over litt. e.d.”

Hartelijke groeten,

Marijke