Over Lucebert IV

Tessa de Zeeuw reageert op Andrew Ricca, Tommy van Avermaete en Jessie de Geus, die haar voorgingen in deze kettingbrief over Lucebert.

 

Beste Andrew, Tommy, en Jessie,

Om te beginnen wil ik je bedanken, Tommy, voor je uitnodiging om te reageren op de brief van Jessie, van jouzelf, en van Andrew. Je vraagt me om m’n gedachten te delen over ‘het geval’ Lucebert; dat wil zeggen, over de commotie die ontstond rondom de publicatie van Wim Hazeu’s biografie over Lucebert en de onthulling van zijn jeugdige nazisympathieën, en over de implicaties die dit heeft voor de relatie tussen schrijver en lezer.

De vraag die tot nu toe centraal staat in deze ketenvormige uitwisseling is hoe de ideologische positie van de schrijver de lezing van zijn werk beïnvloedt, of zoals Jessie die mooi herformuleert: wat moeten we nu met Lucebert en zijn werk? Het antwoord dat uit de brieven van Jessie en Andrew naar voren komt is dat dit in de eerste plaats iets is dat elke lezer voor zichzelf mag bepalen. Ik begrijp dat jullie de lezer daarin intuïtief de vrijheid willen geven, en hem of haar niet de les willen leren met jullie eigen antwoord. Maar wat betekent het eigenlijk om überhaupt de vraag te stellen naar wat een lezer na de onthullingen met de schrijver Lucebert aan moet? Wat schuilt er in ons gevoel om daar als lezer een antwoord op te moeten hebben, daarin een positie te moeten nemen? Op die vraag wil ik in deze brief graag even kauwen.

Het eerste dat mij over het geval ter oren kwam was een bericht op de NOS nieuwsapp, op 8 februari. Ik zat in de trein terug naar huis aan het einde van de dag en de titel ‘Jonge Lucebert had nazisympathieën’ trok mijn aandacht om voor de hand liggende redenen. Het stukje wond er geen doekjes om. Lucebert, zo bleek, ondertekende brieven die hij vanuit zijn werkplek in de Duitse wapenindustrie aan een jeugdvriendin schreef, met “Sieg Heil” of “Heil Hitler”; en drukte er zijn racistische gedachten in uit, zoals blijkt uit onder meer een citaat over “De Joodse sjacherde zwetsaard” die “ons Nederduitsers” zou hebben “besmet”. Dat schokt.

In typisch journalistieke stijl wordt in het bericht ook om een aantal reacties gevraagd op de onthullingen. Het tweede deel ervan bestaat dan ook voornamelijk uit een aantal citaten. Remco Campert, dichter, schrijver, en vriend van Lucebert, geeft bijvoorbeeld als reactie: “Ik heb nooit iets vermoed en vind het verschrikkelijk.” Ook in het NRC – de krant waarop ik geabonneerd ben – draait een stuk dat op 9 februari op de eerste pagina verschijnt vooral om reacties op de onthullingen. Het NRC citeert dezelfde uitspraak van Campert, en daarnaast ook reacties van een aantal andere publieke figuren. Het is deze nadruk op reacties van vooral bekende Lucebert-lezers, die bij mij vragen oproept over de relatie tussen lezer en schrijver. Het gaat me er daarbij om dat de indruk wordt gewekt dat er sprake is van een debat tussen lezers, maar het is voor mij de vraag wat voor vorm dat debat in dit geval lijkt te hebben gekregen.

Jessie, ook jou valt op dat men stellig en snel reageert op het geval, en dat er slechts een beperkt aantal mogelijke reacties lijken te zijn. Mij valt daarnaast op dat die reacties vooral bestaan uit verklaringen van lezers dat ze ‘Lucebert-lezers’ zijn, dat ze ‘zo iemand’ zijn voor wie Lucebert een held is. Dat is een reactie die niet alleen te traceren is in uitingen van bekende lezers, maar ook op Twitter, waar ik even door de berichtjes onder #Lucebert scrollde (met daarbij zoals altijd in m’n achterhoofd de vraag wat voor stemmen nu eigenlijk spreken op Twitter, en wat voor spreken daar plaatsvindt…). De genuanceerde versie van die reactie is dat men Lucebert zal blijven lezen, maar nu als iemand die heeft geworsteld met jeugdzondes. In een minder genuanceerde versie verklaart een lezer simpelweg dat voor hem of haar Lucebert zijn heldenstatus nooit zou kunnen verliezen. Eventueel ook dat degene die Lucebert nu durft af te vallen wat hem of haar betreft een fatsoensrakker is. Een tweet van schrijver Jamal Ouariachi – ook geciteerd in NRC – luidt bijvoorbeeld, “Dus Lucebert was fout in de oorlog. Ai. En nu gaan zeker allerlei mensen zich afvragen of ‘we’ zijn gedichten nog wel met goed fatsoen kunnen lezen. Nou, de tyfus voor u allen!” Die fatsoensrakkers zelf lijken overigens vooral van stro te zijn gemaakt – ik trof in mijn Twitter-onderzoekje geen publiekelijke verwerpingen van Lucebert. Het lijkt alsof lezers vooral de behoefte hebben om zich publiekelijk te verklaren, zich te identificeren met het werk van een schrijver, en zich daarmee zelfs te profileren. Op zich niks nieuws – hebben we niet allemaal ongelezen ‘grote werken’ zichtbaar in de kast staan?

Maar het roept voor mij desalniettemin de vraag op waar die behoefte vandaan komt, en waarom de reacties op het Lucebert-geval vooral die vorm aannemen. Is het misschien de vraag zelf, ‘wat moeten we nu met het werk van Lucebert?’, die zo’n identificerende reactie losmaakt? Die maakt dat we ons geroepen voelen ons te verklaren ‘voor’ of ‘tegen’ te zijn? Of is het probleem, zoals jij ook al aankaart, Jessie, er een van reactietijd? Staat de snelheid van een medium als Twitter, van de zoektocht naar ‘content’ van kranten en nieuwsapps, reflectie in de weg?

Jij stelt zelf het antwoorden liever nog even uit, en daar heb ik veel respect voor. Ook Anja de Feijter, die op het werk van Lucebert promoveerde en die meteen op 8 februari om een reactie werd gevraagd, geeft aan dat ze graag de tijd krijgt om alles op zich te laten inwerken voordat ze reageert. Tijd lijkt ook mij een medicijn tegen al te haastige conclusies en het gebrek aan aandacht voor complexiteit en gelaagdheid waar dat vaak toe leidt, en het publiekelijke verzoek om tijd zou het mooie effect kunnen hebben dat ook anderen hun reacties uitstellen. Maar het lijkt me dat hierin niet alleen tijd van belang is.

Misschien is er in dit alles ook sprake van een vorm-vraagstuk. Misschien staat het verlangen naar een antwoord of reactie hier in de weg van reflectie en is de vraag om uitstel alleen niet genoeg. Misschien moeten we ook zoeken naar een manier om over het vraagstuk te praten zonder dat we verlangen naar antwoorden. Maar de vraag is, in wat voor soort ruimte, of in wat voor vorm, kan zo’n gesprek plaats vinden? Waar kan de reflectie bestaan die een geval als dat van Luceberts jeugdige nazisympathieën verdient? In welke vorm kunnen ‘lezen’ en ‘denken’ naast diepgang en complexiteit ook een noodzakelijke openheid behouden? Het is zo’n openheid, lijkt me, die de mogelijkheid zou kunnen bieden om afstand te nemen van de leeshouding die leidt tot mythevorming en voetstukken, tot ‘platte’ lezingen en de ontkenning van schaduwzijdes. De vraag is alleen hoe we zo’n open houding aan kunnen nemen. Misschien vergt het dat we een klein beetje weerstand bieden aan de behoefte om ons te identificeren met dat wat we lezen.

Dat zijn de vragen die ik naar aanleiding van het geval Lucebert en van jullie brieven zou willen stellen. Misschien biedt de vorm van de vraag alleen al zo’n ruimte, paradoxaal genoeg; en misschien ook deze schrijfketen, omdat die als keten per definitie de individuele auteurs ontstijgt en potentieel zonder einde of conclusie is…

Hoe dan ook, Tommy, ik besef me dat ik hiermee in deze brief volkomen de kans heb laten liggen om te spelen met de proefopstelling die je in jouw brief opzet. Maar het lijkt me dat je oproep tot herlezen vraagt om een leesclubje – toch wel een van m’n favoriete denkruimtes! – zullen we?

Warme groet,

Tessa