Lezing bij boekpresentatie ‘Door de schaduwen bestormd’

20 april 16.00 uur

Eerste Bergensche Boekhandel, Oude Prinsweg 11, Bergen

Door: Willemijn Stokvis

 

Geacht publiek,

Na enige aarzeling heb ik toegestemd hier de bundel te presenteren met de titel Door schaduwen bestormd: reflecties op de controverse rond de oorlogsjaren van Lucebert.

Lucebert was een dichter en een schilder die voor velen van ons zeer veel heeft betekend, en nog betekent. Des te groter is het probleem dat is opgeworpen doordat er nu zo veel onverteerbaars over zijn verleden boven water is gekomen.

Want in de eerste plaats is de aanleiding tot die hier te presenteren bundel natuurlijk het verschijnen op 11 februari 2018 van de biografie van Lucebert door Wim Hazeu. Je treft er dan ook een uitgebreid interview met Hazeu in aan. Hazeu heeft een kolossaal materiaal over Lucebert verzameld en op zeer leesbare wijze beschreven. Daarvoor alle hulde aan Wim Hazeu.

Lucebert is echter in al zijn veelzijdigheid zo’n ingewikkeld onderwerp, dat er nog meer en meer en meer over hem te vertellen valt, zodat menigeen in deze biografie niet aantreft wat hij of zij er toch ook in aan had willen treffen. Men greep naar de pen, of nam het woord over deze omissies. Maar het meest nog barstte men los over de onthullingen die Hazeu deed over de pro-nazi en antisemitische gezindheid van de jonge Lucebert, tijdens de oorlog. Daarbij ging het niet meer zozeer over de biografie, als wel over of men nu het werk van Lucebert met heel andere ogen moest gaan zien en heel anders zou moeten interpreteren.

De bundel is een rijke verzameling geworden van commentaren uit heel verschillende invalshoeken. Soms van mensen die voor het eerst met het fenomeen Lucebert werden geconfronteerd. Zij hielden zich meer in algemene zin bezig met hoezeer je iemand het kwalijk moet nemen, wanneer hij/zij in zijn/haar jeugd de foute ideologie heeft aangehangen. Anderzijds is er commentaar van iemand als bijvoorbeeld Piet Gerbrandy, die al vele voorbeelden wist te vinden in het werk van Lucebert, waarbij men zou kunnen denken dat hij daarin een toespeling maakt op zijn verzwegen verleden.

Elsbeth Etty neemt het Hazeu kwalijk dat hij niet gezorgd heeft dat de brieven die Lucebert tijdens de oorlog aan zijn vriendin Tiny Koppijn schreef nu ook toegankelijk zijn voor andere speurders. Ook zou zij meer willen weten over de achtergrond van de geadresseerde.

Kortom, zij vindt: wat Hazeu schrijft moet controleerbaar zijn.

Het meest opvallende is echter de schok die de inhoud van die brieven voor velen betekent: ‘Lucebert was niet zomaar een begenadigd dichter en beeldend kunstenaar,’ zegt Cyrille Offermans in zijn bijdrage. ‘Voor mij,’ zegt hij, ‘en ik weet niet hoeveel generatiegenoten was hij de creatieve belichaming van het antiautoritaire principe als zodanig.’

‘Hij bracht zichzelf als de ultieme verzetsheld.’ Zo formuleer ik het.  Ik bedoel dat niet letterlijk, zoals in deze bundel lijkt beweerd, maar overdrachtelijk. Maar naar mijn idee gaat het hier meer nog over het probleem van het verzwijgen. Het is duidelijk dat hij bij zijn terugkeer, na of nog in de oorlog, vrij direct tot inzicht komt, en dan meteen een andere weg kiest.

Juli 1945 meldt hij zich bij de Koninklijke Landmacht, waarna hij gedetacheerd wordt bij het Canadese leger, dat als de bevrijder was binnengehaald. Vervolgens weigert hij mee te gaan met de Politionele Acties naar Indonesië. En terwijl hij zich in zijn brieven, tijdens de oorlog al, als een soort profeet ziet, dan welteverstaan van het nazidom, vindt hij direct na de oorlog zijn pseudoniem: tweemaal licht, Lucebert, luce, Italiaans voor licht, en bert, brecht, is ‘licht’ of ‘stralend’ in het Oudgermaans, om dus een heel ander licht over de mensheid te laten schijnen.

Hij was dus zowel bang als ook zeer overmoedig, zou je denken.

Jessie de Geus, brengt naar voren in nummer drie van de kettingbrief, -die te vinden is in de bundel die hier wordt gepresenteerd-: ‘Dat er rondom Lucebert sprake is van mythevorming, waar hij in belangrijke mate zelf aan heeft bijgedragen door zichzelf voor te stellen als de brenger van het licht, is moeilijk te ontkennen (…) Het lijkt mij interessanter’, zegt zij tenslotte, ‘om Lucebert te zien los van die mythe, ‘gewoon’ als mens en daarmee dus als een complexer wezen.’

Hij was een vat vol tegenstellingen. Hij noemde zichzelf ‘een labyrintische persoonlijkheid’ en ‘mensenschuw’ (in Peter Hofmans boek Lichtschikkend en zingend, 244-245). Op grond van zijn brieven kan men hem zeker labiel noemen.

Enerzijds zat hij vol humor.  ‘Starting the wrong story,’ noemde hij een tekening uit 1952, waarin een vrouw drie honden strak onder haar gezag heeft. Eén van die honden heeft een mannenkop met hoed, en bij de poot staat de signatuur ‘Lucebert’. Ja, denk ik nu, ‘Starting the wrong story,’ hij begon zijn leven met het verkeerde verhaal, en beeldde dat mogelijk op deze wijze uit. Dat is natuurlijk ontzettend geestig, maar ook van een haast huiveringwekkende zelfspot.

‘Hij was een bange man’, zei zijn dochter Maia op de presentatie van Hazeu’s boek in het Stedelijk. Dat maakte ik ook mee: Enige jaren na mijn promotie op Cobra in 1973, besloot ik mij diepgaand met Lucebert bezig te gaan houden. In ’78 of ’79 vertelde Gerrit Kouwenaar mij het verhaal dat Lucebert zich samen met Hans Andreus in 1943 op weg had begeven om te gaan tekenen voor de Nederlandse SS, maar dat hij op het laatste moment toch het kantoortje was uitgelopen. Andreus vertrok naar het Oostfront.

Dat verhaal zette mij aan het denken. Ik dacht: ‘wat denk je wanneer je op weg bent in 1943 naar zo’n kantoortje. En wat denk je in de uren, de dagen de maanden daarvóór?’ Ik begon toen al andere dingen in zijn tekeningen en gedichten te zien. Het werd tot een groot probleem voor mij. Maar ik durfde hem er niet over te ondervragen.

Hij vermoedde duidelijk wat. Toen ik in zijn huis in Bergen een keer in de gang liep kwam hij plotseling uit een deur zetten –zo rond 1982-, en zei hij tegen mij: ‘Die Hans Andreüs, dat was heus een heel aardige vent hoor.’

Wie de in 1988 verschenen sleutelroman Een zachte vernieling over de experimentelen van Hugo Claus las, leerde via een omweg ook het verhaal kennen dat Kouwenaar me verteld had. Met nog meer details was het te lezen in de in 1995 verschenen biografie van Hans Andreus, door Jan van der Vegt. En zeker door het boek van Peter Hofman over de jonge Lucebert, dat in 2004 verscheen, Lichtschikkend en zingend, wist men meer, bijvoorbeeld dat hij vrijwillig naar Duitsland was gegaan.

Pas nu ik via de door Hazeu onthulde brieven weet wat hij dacht, toen hij op weg ging om zich bij de SS op te geven, kan ik meer ten volle in zijn werk zien wat ik er steeds in vermoedde. Lucebert leek zijn verhaal te koesteren als een verborgen schat, of als een tijdbom.

In haar bijdrage aan de onderhavige bundel voert Marijke Gravemaker terecht Günter Grass, als vergelijkingsmateriaal aan. Deze verzweeg tot op hoge leeftijd zijn oorlogsverleden. ‘Grass zelf legt in zijn autobiografie uit,’ zegt Gravemaker, ‘waarom hij zweeg: hij zou anders waarschijnlijk nooit de grote schrijver zijn geworden die hij werd.’

Omdat Lucebert niets vertelde, vroeg men hem ook niets, hoewel meer mensen iets wisten. De enige die ineens heel dicht bij hem leek te komen was Jens Cristian Jensen, in zijn interview met Lucebert van 1992, gepubliceerd in zijn boek over diens schilderijen, van 2001. Niels Molenkamp haalt in zijn stuk in de onderhavige bundel een frappant deel aan van dat interview: ‘Ik ben in staat, het is mij mogelijk,’ zegt Lucebert daarin tegen Jens Christian Jensen, ‘een persoonlijke mythologie te scheppen. Laten we dat mythologie noemen, de een of andere geschiedenis, een verborgen geschiedenis, die deels ook voor mijzelf verborgen is. Deels, omdat zij diep in mij wel zo sterk is, dat ze de innerlijke drang verschaft, dat ze zich vanuit donkere tijden (lacht) aan je opdringt en constant de impuls geeft daarvan verslag te doen.’ Het kan bijna niet anders, denk je nu, dan dat dit slaat op zijn verborgen oorlogsverleden.

Hij weigerde, is mij eens verteld, naar een psycholoog of psychiater te gaan. Dan zou zijn inspiratiebron maar opdrogen.

Bij dat verzwegen verleden is mijns inziens zijn afgrondelijke haat jegens zijn vader (1888-1965) van fundamentele betekenis. Dit wordt in commentaren te weinig naar voren gebracht. Trouwens pas in een van zijn latere bundels verscheen een gedicht ‘Vader’, dat er niet om liegt.

Het feit dat hij altijd zweeg over zijn verleden gaf hem mogelijk een soort afstand tot zijn tijdgenoten, vooral direct na de oorlog, waardoor hij zich waanzinnige vrijheden met de taal kon permitteren. Mogelijk is het ook deze achtergrond die hem er toe bracht zijn schilderijen steeds meer, vooral in de tweede helft van zijn leven, te gaan bevolken met nachtmerrie-achtige wezens.

Van de voorbeelden die Piet Gerbrandy geeft van gedichten waarin je nu sterk vermoedt dat die tragische achtergrond werd verwoord, trof mij wel het meest de laatste strofe van het laatste gedicht uit zijn in 1957 verschenen bundel Amulet  (292):

Die luidt als volgt:

ik ben de stem die geen stem geeft
aan wat al reeds stem heeft
maar die op een pijnlijk zwijgen
het wonderbeeld van een woord legt
en als het dan van alle angst genezen is
weet wat ik met dit alles heb gezegd
het gedicht is een amulet

‘Voor een dichter die niet kon zeggen wat hem uit de slaap hield’, zegt Gerbrandy, ‘diende de poëzie [en natuurlijk ook zijn beeldend werk, voeg ik toe; ws] als toverwoord –of -middel om zijn demonen de baas te blijven. Ik vind dat’, zegt hij –en daar sluit ik mij ten volle bij aan- ‘hartverscheurend.’

 

Hiermee wilde ik deze bundel hartekreten– die het zeker zijn- aan u presenteren.

 

Willemijn Stokvis