Delicatessen

“Ik kom voor de twee lichaamsdelen die u op marktplaats had gezet.” De man aan de deur wekte niet de indruk een liefhebber te zijn van mijn exclusieve waren, maar handel is handel en dus liet ik hem binnen. Voor hem uit liep ik naar de kamer waar ik de hammen te drogen hing. Daar aangekomen haalde ik het dijbeen dat ik een paar dagen geleden te koop had aangeboden van zijn haak en bood het ter keuring aan. “Een schaatsersdijbeen, premium kwaliteit.” De man knikte goedkeurend. Uit de vriezer haalde ik de vingerkootjes waar hij ook interesse voor had. “Deze zijn van een violiste, maar als u wilt heb ik ook nog pianistenkootjes. Dan gaat de prijs echter wel een stukje omhoog.” De man nam de zak aan en overhandigde mij het geld. Hij maakte geen aanstalten om weg te gaan. “Een beetje ketjap en olijfolie zouden het moeten doen. Halfuurtje in de oven, laatste vijf minuten op de grill, en kluiven maar.” Soms waren ze onzeker over de bereiding van dit soort delicatessen.
“Ik zocht eigenlijk ook nog naar een derde exclusief product, ingelegde ogen, heeft u die toevallig ook?” Aha, de aap kwam uit de mouw, helaas kon ik hem niet helpen. “Sorry, ik doe alleen aan lokale specialiteiten, maar als u wilt kan ik u het adres geven van een Inuit die in de buurt zit. Hij staat bekend om zijn verscheidene manieren van inmaken.” De Inuit was een wispelturig man, dat hij in de buurt ook bekend stond om zijn slogan “een oog voor een oog” – of althans zo ging het gerucht – vertelde ik de man maar niet. Ik heb hem echter niet meer terug gezien in mijn shop. Jammer, ik had graag willen weten dat mijn ham, die ik zes maanden met zorg gerijpt had, goed terecht was gekomen.

 

Omdat de Inuit die ingelegde ogen verkocht maar een paar straten verderop woonde, besloot ik meteen door te lopen. Met het schaatsersdijbeen en de kootjes in mijn boodschappentas liep ik door de verlaten woonwijk. In dit miezerige nazomerweer zou de verkoop van warme broodjes beenham omhoog schieten. Een beetje honing- en mosterdsaus, blaadje sla, ik zag het helemaal voor me. Die kootjes voor het avondeten vanavond had ik helemaal verdiend.
Het huis van de Inuit viel op in de verder keurige straat, pompeus maar met een snufje vergane glorie. Aan de mosgroene vegen kon ik zien dat het huis al lang niet meer werd onderhouden. Door de grote ramen met houten luiken ervoor leek het net alsof het zijn blik ervoor afwendde. Voor de deur stond een klein bordje met “Cilerama” erop. Nieuwsgierig stapte ik de drempel over. Ik werd geleid naar een ruimte die vroeger een ontvangstkamer moest zijn geweest. Er was een klein bioscoopje waar afgezien van ikzelf maar twee anderen zaten. Ze draaiden zich niet om toen ik binnen kwam. Op de tast zocht ik een plekje in het zaaltje, zo ver mogelijk van hen verwijderd. We keken een korte documentaire over de ambacht van het ogen inleggen en zijn herkomst uit het poolgebied. De Inuit die deze zaak runde bleek een specialist, een van de weinigen die nog op traditionele wijze werkte en de oude kruidingsrecepten kende. Overtuigd van de kunde van deze man en de kwaliteit van zijn waar, werd ik naar een ander klein vertrek geleid, waar in een vitrinekast het assortiment stond opgesteld. Geïnteresseerd keek ik naar de grote verscheidenheid. Na een tijdje merkte ik dat er een nieuw persoon de ruimte in was gekomen en naast me rustig stond te kijken naar de glazen vitrinekast. De Inuit. Ik wees op een pot ogen die waren ingelegd met granaatappelpitjes en witte wijnazijn. “Deze wil ik.” De Inuit knikte, pakte een sleutel uit zijn zak, ontsloot de vitrinekast, lichtte met fluwelen handen de pot van zijn plaats en wenkte me naar een aangrenzende kamer.
Uit het bureau, het enige meubelstuk in deze kamer, haalde de Inuit inpakpapier en linten. Langzaam en secuur pakte hij de pot in in het chique, zwarte papier en versierde hij hem met een gouden lint. De liefde voor zijn vak was ervan af te lezen. Nadat de Inuit de pot had ingepakt, schoof hij hem naar me toe en zette zichzelf aan de stoel achter het bureau. “Zo, en nu de overdracht.” Pas toen besefte ik dat ik geen prijskaartjes had gezien bij het assortiment.

 

Jaren later, ik dacht af en toe nog steeds aan mijn zeer geslaagde rijping van het schaatsersbeen, kwam ik op straat een man tegen die glazig uit zijn ogen keek. Nadat ik hem gepasseerd had besefte ik pas dat hij degene was die deze delicatesse had aangekocht. Ik draaide me om en tikte hem op de schouder. We praatten kort. Opgelucht hoorde ik dat hij mijn dijbeen niet had verkwanseld, maar op juiste waarde had geschat. Over zijn eventuele ontmoeting met de Inuit vertelde hij niets. Hij bleek nu zelf ook zich te hebben gespecialiseerd in onze ambacht. Orgaanhandel.